Beste Duitse filosofen aller tijden

Zo, en nu dan iets over Duitse filosofen. We hebben al eens het een en ander over filosofie op deze website staan en dat mag wel wat meer. Nu dus vier verschillende lijsten met de belangrijkste, invloedrijkste en bekendste Duitse filosofen. Natuurlijk hebben ze allen een afbeelding en een korte beschrijving van de essentie van hun filosofie.

Beste Duitse filosofen aller tijden
Beste Duitse filosofen aller tijden

Lees hier->>> meer over filosofie op deze website…


Beste Duitse filosofen aller tijden


1. Immanuel Kant

(1724–1804)

Immanuel Kant
Immanuel Kant

Kant wordt wel gezien als de eerste Duitse idealist. Zijn Kritik der reinen Vernunft uit 1781, waarin hij de grondslagen en de grenzen van de menselijke kennis onderzoekt en een eigen epistemologie creëert, wordt als zijn belangrijkste werk beschouwd. Voor zover bekend heeft Kant nooit een relatie gehad en overleed hij als maagd. Tijdens een diner voor vrienden te zijnen huize wist Kant echter een zodanige plaats te schikken dat hij met zijn goede oog een bevallige dame kon observeren.

Van filosofie.nl
In de Kritiek van de zuivere rede weet Kant de problemen van het rationalisme (een idealisme dat het bestaan van de werkelijkheid niet kan bewijzen) en het empirisme (een scepticisme dat geen enkele zekerheid kan funderen) op te lossen. De kennis van het verstand komt wel degelijk overeen met de werkelijkheid, maar dat komt omdat ons verstand zelf die werkelijkheid structureert. Tijd en ruimte, zo bedacht Kant, zijn geen absoluutheden in de wereld, maar ‘aanschouwingsvormen’ van ons eigen verstand. Hetzelfde geldt voor oorzaak en gevolg.

Zich bewust van de radicale ommekeer van zijn filosofie spreekt Kant over de ‘copernicaanse wending’: zoals de zon niet om de aarde draait, zo weerspiegelt onze geest niet de wereld zoals die werkelijk is, maar slechts zoals die zich aan ons voordoet. Daarom noemt Kant zijn werken ook Kritiek: hij bakent af binnen welke grenzen kennis mogelijk is.


2. Karl Marx

(1818–1883)

Karl Marx
Karl Marx

Marx was een grondlegger van de arbeidersbeweging en centrale figuur in de geschiedenis van het socialisme en het communisme. Als Marx’ belangrijkste werk wordt meestal Das Kapital (of in het Nederlands: Het Kapitaal) beschouwd. Daarnaast is zijn Communistisch Manifest (met Friedrich Engels) wereldberoemd.

In plaats van Hegels idealistische opvatting van de geschiedenis ontwikkelde Marx een materialistische visie. Niet een strijd van ideeën of “de rede” waren de (voornaamste) drijvende kracht van de geschiedenis, maar economische en technologische ontwikkelingen. De diverse stadia in de geschiedenis koppelde Marx niet aan ideeën, maar aan productiewijzen: maatschappijvormen gekenmerkt door een dominant technologisch en organisatorisch principe van economische productie. In zijn eigen tijd wees hij de kapitalistische productiewijze, de industriële productie binnen een kader van contractvrijheid, ondernemingsvrijheid en marktverhoudingen, aan als het dominante principe. Dit had in Europa de eerdere feodale productie vervangen, waarin het organiserende principe dat van de horigheid was.


3. Max Weber

(1864–1920)

 Max Weber
Max Weber

Max Weber heeft de sociologie omschreven als een wetenschap die sociaal handelen wil begrijpen (verstehen) en daardoor oorzakelijk verklaren. Hij onderscheidde zich daarmee van sociologen als Emile Durkheim, die meer in sociale structuren dan in individuele handelingen dacht.

Onder het begrip verstehen verstaat Weber het begrijpen van het gedrag van mensen door je in ze in te leven. Hiervoor is grondig onderzoek vereist, geen simpele intuïtie. Weber is hierdoor van grote invloed geweest op de interpretatieve stroming in de sociologie. Wat betreft de causaliteit vindt Weber dat je altijd rekening moet houden met meer dan één oorzaak, en dat je, in tegenstelling tot bij de natuurwetenschappen, moet uitgaan van de waarschijnlijkheid en niet de zekerheid dat een verschijnsel zal optreden.

Om verschijnselen of ontwikkelingen in de samenleving (of verschillende samenlevingen) met elkaar te kunnen vergelijken, zijn overdreven generalisaties noodzakelijk. Hiertoe construeer je zogenaamde ideaaltypen, die je vervolgens aan de werkelijkheid toetst. Het woord ideaaltype dient overigens niet te worden opgevat als een ideaalbeeld of utopie.

Tot slot heeft Weber als eerste het belang van waardevrijheid in de sociologie benadrukt (ook bekend als het waardevrijheidspostulaat). Weber vond namelijk dat er bij het verrichten van onderzoek altijd waardes in het spel waren, die de uitkomst van een onderzoek konden beïnvloeden. Je moet proberen zo objectief mogelijk onderzoek te doen en college te geven. Alleen in de keuze voor het te behandelen onderwerp kunnen waarden een rol spelen. Overigens heeft Weber zelf zich niet altijd even strikt aan zijn eigen morele regels gehouden. Daarvoor was hij politiek te geëngageerd, met zijn liberale en nationalistische opvattingen.


4. Arthur Schopenhauer

(1788–1860)

Arthur Schopenhauer
Arthur Schopenhauer

Zijn bekendste werk is Die Welt als Wille und Vorstellung (1818, 1844) waarin hij zijn eigen metafysica uiteenzet: achter de zintuiglijke wereld schuilt een algemene wil waarvan wij mensen slechts fenomenale manifestaties zijn. De mens is in dit wereldbeeld dan ook in de eerste plaats een “willend” wezen waarbij het verlangen centraal staat en niet het redelijk verstand. Door deze filosofie wordt Schopenhauer beschouwd als de voornaamste voorloper van de levensfilosofie. Schopenhauer was erg bezorgd over (de erfenis van) zijn poedels. Hij bekritiseerde de opvatting van Spinoza dat dieren gebruikt moeten worden enkel als middelen ter bevrediging van de mens.


5. Robert Pirsig

(1928–2017)

Robert M. Persig
Robert M. Persig

Pirsig werd wereldberoemd met de in 1974 verschenen filosofische roman Zen and the Art of Motorcycle Maintenance, in het Nederlands vertaald als Zen en de Kunst van het Motoronderhoud. Het boek, met de ondertitel An Inquiry into Values (Een Onderzoek naar Waarden), schetst Pirsigs interpretatie en definitie van “kwaliteit”, geschreven als een autobiografische vertelling over een reis per motorfiets door Noord-Amerika met zijn zoon en twee vrienden.


6. Christian Wolff

(1679–1754)

Christian Wolff
Christian Wolff

Filosofisch gezien zijn Wolffs ideeën deterministisch van aard, gedeeltelijk gebaseerd op Leibniz’ monadologie. Wolffs volkenrechtelijke denken was sterk natuurrechtelijk van aard. Op dit gebied introduceerde hij het idee van de civitas maxima, volgens welke er buiten de statelijk orde een wereldgemeenschap bestaat, waarop het volkenrecht is gebaseerd.

In de Monadologie wordt het gehele universum opgevat als de verzameling van alle monaden. Leibniz gaat uit van een schepper die een eindige, doelmatige en harmonieus perfecte wereld schept die geldt als instrument voor de mensheid. Ieder ‘ding’ in die perfect geschapen wereld heeft zijn eigen kenmerken die in een context passen, maar desalniettemin als afzonderlijk herkenbaar zijn. Deze ‘dingen’ waaruit de wereld is samengesteld zijn oneindig deelbaar. Ondanks deze oneindige deelbaarheid is er toch één soort ondeelbare en onafhankelijke en meest fundamentele entiteit, namelijk de monaden.


7. Albert Schweitzer

(1875–1965)

Albert Schweitzer
Albert Schweitzer

Marcel van Ellen:
“Allereerst zag Schweitzer zich als mens in een bepaalde wereld gesteld, hij was in staat die wereld kritisch te beoordelen. Daarnaast echter was hij verplicht haar te beïnvloeden door – hoe bescheiden dat voorbeeld ook mocht zijn – te zijn wat hij dacht. Dat denken kon alleen zedelijk gericht zijn; Schweitzer wilde niet in de fout vervallen van hen, die met een cultuur zonder ethiek uit wilden komen.”


8. Friedrich von Schelling

(1775-1854)

Friedrich von Schelling
Friedrich von Schelling

De interpretatie van Schellings filosofie is vaak moeilijk door zijn veranderende karakter. Sommige onderzoekers bestempelen hem als een proteïsch denker die, hoewel zeer briljant, van het ene onderwerp naar het andere sprong, omdat hij niet synthetisch genoeg kon denken om tot een gesloten filosofisch systeem te komen. Anderen weerleggen dit bezwaar van versplinterdheid bij Schelling en leggen er eerder de nadruk op dat zijn filosofie altijd gericht was op enkele algemene thema’s, in het bijzonder menselijke vrijheid, het absolute en de relatie tussen natuur en geest.


9. Friedrich Nietzsche

(1844–1900)

Friedrich Nietzsche
Friedrich Nietzsche

Van historiek.net
De kernideeën in Nietzsches filosofie zijn: een volstrekt atheïsme, nihilisme, de opvatting dat normen nooit absoluut zijn maar subjectief en situatieafhankelijk, en een klemtoon op menselijke moraliteitskwesties en oerdriften. Alles wat goed is, draaide volgens Nietzsche om macht en de wil om macht te hebben. Dit streven kwam tot zijn voltooiing in de supermens: de Übermensch, de mens die van oorlog houdt. Medelijden en verliezen waren daarbij absolute tekenen van zwakte. Christelijke zorg voor zwakkeren, armenzorg en het concept naastenliefde moesten in Nietzsches ogen dan ook volstrekt afgewezen worden.


10. Martin Heidegger

(1889–1976)

Martin Heidegger
Martin Heidegger

Van filosofie.nl
De mens is geworpen in een bepaalde omgeving, maar is zichzelf vooruit in het ontwerpen van zijn eigen leven. Deze twee momenten komen samen in het heden, de articulatie. De authentieke mens leeft zijn leven in het besef van een Sein-zum-Tode. Later probeert Heidegger het zijn zelf te laten spreken en oefent hij zich in Gelassenheit: het zijn zal van zich doen spreken voor zover wij ons daarvoor openstellen. Deze stellingname gaat gepaard met een fundamentele kritiek op de moderne, gemechaniseerde en eendimensionale wereld die in het teken staat van ‘zijnsvergetelheid’.


11. Georg Wilhelm Friedrich Hegel

(1770–1831)

Georg Wilhelm Friedrich Hegel
Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Hegel zag de werkelijkheid niet als statisch maar als de uitkomst van een continu doorgaand proces waarbij nieuwe tegenstellingen telkens worden opgeheven. Kernwoord hierbij is ‘opheffen’ (het Duitse aufheben), dat zowel optillen als afschaffen en bewaren betekent. Tijdens het dialectisch proces wordt iets (bijvoorbeeld een moment) eerst gesteld, daarna ontkend, om tot slot tot een hogere waarheid te komen. Eerder werden door Fichte hiervoor de begrippen these, antithese en synthese gebruikt (die deze overigens weer van Kant had, zie bijvoorbeeld o.a. zijn Kritiek van de zuivere rede, B495), die later door de marxisten werden overgenomen.


12. Gustav Fechner

(1801–1887)

Gustav Fechner
Gustav Fechner

13. Hannah Arendt

(1906–1975)

Hannah Arendt
Hannah Arendt

Hannah Arendt bereikte het grote publiek met haar boek over het proces tegen Adolf Eichmann. In Jeruzalem was tijdens dat proces niet een of ander gruwelijk monster te zien, maar een onbetekenend persoontje (Eichmann), dat niettemin in staat bleek geweest te zijn om vele miljoenen joden om te brengen. Zij stelde de vraag hoe een dergelijke tweederangspersoon tot zulke omvangrijke gruweldaden kon komen. In haar studie over dit proces laat ze zien, zoals ook Harry Mulisch dat al in zijn verslag van het proces-Eichmann had aangegeven, dat het kwaad iets banaals, iets raadselachtigs heeft. De Holocaust kon plaatsvinden omdat de nazi’s het hele proces in stukjes hadden gebureaucratiseerd, waarbij niemand, behalve Hitler, verantwoordelijk was voor het geheel en ieder slechts voor een enkel klein onderdeel. Het kwaad (de jodenmoord) krijgt dan een banaal karakter; duizenden ijverige ambtenaren die op hun deelterrein hun taak al dan niet gewillig uitvoeren. Arendt gruwde van het reduceren van democratie tot de macht van het getal of de algemene wil van het volk. De heerschappij van het abstracte volk was voor haar een andere vorm van tirannie.


Top 10 Meest interessante Duitse filosoof volgens eskify.com


1. Georg Hegel


2. Friedrich Nietzsche


3. Immanuel Kant


4. Arthur Schopenhauer


5. Max Weber


6. Johann Gottlieb Fichte

(1762—1814)

Johann Gottlieb Fichte
Johann Gottlieb Fichte

Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. Juist doordat we, zoals Kant stelt, niets kunnen kennen dan door onze ervaring, zou ook een kenbare mogelijkheid van een bestaan volledig los van het Ik, weer door dat Ik gekend moeten worden en daarmee innerlijk tegenstrijdig en betekenisloos zijn. Volgens Fichte heeft het begrip “Zijn” dus simpelweg de betekenis van “het er zijn van het Ik”. Het karakter van het Ik is actief en creatief.


7. Ludwig Feuerbach

(1804-1872)

Ludwig Feuerbach
Ludwig Feuerbach

Feuerbach zag religie als slechts een bevrediging van een verlangen van de mens. Hij beschouwde religie als een compensatie voor beperktheid en eindigheid, en godsdienst is volgens Feuerbach niets meer dan een illusie. Hij pleit voor een beschaving niét gebaseerd op religie maar op natuurwetenschap.

Een belangrijk werk van Feuerbach is Gedanken über Tod und Unsterblichkeit. Hierin stelt hij dat geloof in onsterfelijkheid – zoals dat in het westerse godsgeloof voorkomt – slechts een gedachte is van de mens waaruit blijkt dat deze zijn subjectieve vermogen overschat. Toen bekend werd dat hij het geschreven had was het de reden om zich terug te trekken uit de universitaire wereld.

Hiermee legde Feuerbach een basis voor een gangbare gedachte binnen het existentialisme dat de mens op zichzelf is.


8. Karl Marx


9. Edmund Husserl

(1859–1938)

Edmund Husserl
Edmund Husserl

Husserls fenomenologie (phaenomenon is het Griekse woord voor het verschijnende) is de leer van de verschijnselen en tracht via het zuiver beschrijven van de dingen die aan het bewustzijn verschijnen tot een fundament voor de wetenschap en filosofie te komen.


10. Martin Heidegger


Invloedrijkste Duitse filosofen volgens famaousingermany.com


Friedrich Nietzsche


Karl Marx


Immanuel Kant


Gottfried Wilhelm Leibniz

(1646–1716)

Gottfried Wilhelm Leibniz
Gottfried Wilhelm Leibniz

In de filosofie wordt Leibniz gezien als rationalist. Hij wordt beschouwd als een optimist, vanwege zijn overtuiging dat het heelal waarin wij leven, het beste universum is dat God had kunnen scheppen. Zijn “systeem” is niet alleen maar rationalistisch. Aan de ene kant diep geworteld in de scholastiek, loopt zij aan de andere kant vooruit op latere ontwikkelingen in logica, biologie, geologie, mijnbouwkunde, waarschijnlijkheidsleer, linguïstiek en informatica. Daarnaast schreef hij ook over politiek, recht, ethiek, theologie, geschiedenis en filologie. Zijn bijdragen zijn gespreid over veel publicaties, niet-gepubliceerde manuscripten en vooral tienduizenden brieven. Tot vandaag, driehonderd jaar na zijn dood, bestaat er geen complete editie van Leibniz’ geschriften.


Friedrich Engels

(1820-1895)

Friedrich Engels
Friedrich Engels

Na Marx’ dood in 1883 wijdde Engels een groot deel van de rest van zijn leven aan het vertalen en aanpassen van Marx’ geschriften. Hij heeft echter ook veel bijgedragen aan het feminisme waarbij hij zegt dat het concept van een monogame huwelijk te maken heeft met de economische omstandigheden van de menselijke ontwikkeling. In zijn boek “De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat” legt hij een verband tussen de economische en politieke ontwikkelingen en de organisatie van de opvoeding en de seksualiteit vanaf de oertijd tot aan de negentiende eeuw.


Georg Wilhelm Friedrich Hegel


Martin Heidegger


Top 10 beste (beroemdste) Duitse filosofen volgens Ranker.com

1. Albert Einstein

Albert Einstein
Albert Einstein

Einstein was in zijn hart een pacifist maar was wel zo realistisch dat hij besefte dat agressieve regimes zich door vreedzaam verzet niet laten intomen en dat soms toch militair ingrijpen nodig is. Na de opkomst van de nazi’s in de jaren dertig beval hij dan ook militaire voorbereiding van beschaafde landen aan, om aan de steeds duidelijker wordende expansionistische dreiging van Hitler en zijn regime het hoofd te kunnen bieden.

Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef Einstein tegenstander van de wapenwedloop en voorstander van een wereldregering met zeggenschap over alle kernwapens. Toen de verhouding tussen de eerdere bondgenoten de VS en de USSR verkilde, schreef Einstein:

 “Ik weet niet hoe de Derde Wereldoorlog zal worden uitgevochten, maar ik weet nu al wat voor wapens ze in de Vierde zullen gebruiken: stenen!”.

In het artikel “Why Socialism?” (Waarom Socialisme?) uit 1949 in de Monthly Review. schreef Einstein dat de chaotische kapitalistische samenleving een bron van kwaad was die overwonnen moest worden: een roofzuchtige fase in de ontwikkeling van de mens. Met Albert Schweitzer en Bertrand Russell riep Einstein op kernproeven te staken en af te zien van kernwapens. Vlak voor zijn dood ondertekende hij nog het Russell–Einstein Manifest, dat leidde tot de Pugwash Conferences on Science and World Affairs over ontwapening en vreedzame internationale conflictoplossing.


2. Karl Marx


3. Immanuel Kant


4. Friedrich Nietzsche


5. Albert Schweitzer


6. Friedrich Engels


7. Johann Wolfgang von Goethe

(1749–1832)

Johann Wolfgang von Goethe
Johann Wolfgang von Goethe

Johannes van der Sluis:
“Goethe zou denk ik eerder, mocht je graag een etiket op een auteur willen plakken, als een representant van de Verlichting kunnen worden beschouwd, alle discussies over de definitie van Verlichting daargelaten. Bij Goethe ligt de nadruk op het licht in plaats van het duister, de gezondheid in plaats van de ziekte, de harmonie in plaats van de disharmonie.”


8. Friedrich Schiller


9. Rosa Luxemburg

(1871-1919)

In Reformisme of Revolutie verdedigde zij de ideeën van het revolutionaire marxisme, nl. dat de verworvenheden van de klassenstrijd alleen maar door een vernietiging van het burgerlijke kapitalisme kunnen worden veiliggesteld. Bernstein bepleitte dat een geleidelijke overgang via parlementaire weg dit ook zou kunnen bereiken. Karl Marx had hier echter al tegen geageerd en noemde dit parlementair cretinisme. Luxemburg ontpopte zich als een van de leiders van de linkervleugel van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) en ontmoette Karl Liebknecht.


10. Gottfried Wilhelm von Leibniz


Laat een reactie achter

Geef hier je reactie!
Naam hier

84 − 77 =