1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal

1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen - Franse straattaal
1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen - Franse straattaal

Moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal

We hadden al de officiële taal in de zin van de top 1000 meest gebruikte Franse woorden. Ken je deze woorden en het heb school-Frans tot je beschikking, dan valt het nog niet mee om een gesprek te volgen.

Ook in tentamens en bij luistertoetsen hoor je Frans wat niet in de leerboekjes staat. Daarvoor moet je toch echt de onderstaande lijst tot je nemen. Erg handig voor die examens, luistertoetsen en dagelijkse gesprekken. Lees en leer meer…


Antwoord op de vraag: wat maakt je saai voor een ander?


P.s. Mocht je aanvullingen of verbeteringen weten… mail ze naar informatie@dutchmultimedia.nl!


Lees hier ->>> meer over Frankrijk op deze website.


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal

Meer weten over Frankrijk? Zie www.institutfrancais.nl


Kretologie

Aïe! / Ouïe! / Ouille! – Au!
Beurk! Berk! – Bah!
Boum! Boom! – Knal!
Chiche! – Doe dan!
Chut! Shush! – Wees stil!
Gla gla! – Brrrrr!
Ho! / Hé! – Wauw! Goed hé!
Holà! – Hallo! Hoi!
Hop là! – Hopla
Merde! – Shit!
Miam miam! – Yum jammie!
Mince! / Zut! – Verdorie! Verdomme!
Ouf! – Oef!
Oups! – Oeps!
Pan! – Knal!
Putain! – Het universele scheldwoord in het Frans
Toc, toc! – Klop klop!
Vlan! – Dichtslaan!
Youpi! – Hoera!


Veelvoorkomende uitdrukkingen

Je n’en reviens pas – Ik kan het niet geloven.
C’est du gâteau! – Het is een eitje!
Revenons à nos moutons – Laten we teruggaan naar (de kern vn) het onderwerp.
Ça saute aux yeux – Dat is duidelijk.
C’est dans la poche – Het is zeer zeker.
Quand les poules auront des dents – Wanneer varkens kunnen vliegen.
Ça ne tourne pas rond – Er is iets mis.
C’est pas vrai ! – Je maakt een grapje!
Ce n’est pas la mer à  boire – Het is niet het einde van de wereld.
C’est pas sorcier – Het is geen ‘rocket science’.
Je vais jeter unœil – Ik zal kijken.
Ça n’a rien à  voir avec… – Dat heeft niets te maken met…
Ça vaut le coup – Het is het waard.
On voit que dalle – Je kunt niets zien.
Ça va être chaud! – Het wordt zwaar!
Tu dois me tirer de là ! – Je moet me helpen!
Ç’est parti! – Daar gaan we / we zijn vertrokken!
Ça gaze? – Hoe gaat het? Hoe gaat het?
Oh purée! – Oh mijn god!
Ça fait un bail! – Het is lang geleden!
Ça craint! / C’est nul! – Dat is balen! Dat is ku…
Fais voir – Laat zien
Je suis prems! – Ik ben eerst!
Rien que d’en parler… – Gewoon erover praten…


Veelgebruikte werkwoorden

balancer – weggooien
en baver – het moeilijk hebben
bosser – werken
bouffer – eten
bourrer – volproppen, volproppen
bousiller – breken, beschadigen
chialer – huilen
chopper – krijgen, vangen
débarquer – aankomen zonder kennisgeving
dégoter – vinden, bedenken, opdiepen
encarrer – binnenkomen
engueuler – schreeuwen
épater / scier – verbazen, verrassen
être à  deux doigts (de faire quelque chose) – op het punt staan ​​(iets te doen)
être à  la bourre – haast hebben
être à  mourir d’ennui – dodelijk saai zijn
faire gaffe – wees voorzichtig, let op
farfouiller – snuffelen, rommelen
filer – geven, overhandigen
filer à  l’anglaise – vertrekken zonder afscheid te nemen / een Frans verlof nemen
flipper – gek worden, uit je plaat gaan
fourrer – proppen, plakken, duwen
foutre – zetten, gooien, geven, doen
foutre le bordel – een rommel maken
gaver – ziek zijn van
gerber – overgeven
gober – naïef geloven, vallen voor
gonfler – ergeren
louper – missen
mater / zieuter – kijken
papoter – chatten, roddelen
paumer – verliezen
piger – begrijpen
piquer – stelen
planquer – verstoppen
poireauter – wachten
repêcher – vinden
rigoler / se marrer – lachen
roupiller – slapen
schlinguer – stinken
se planter – een fout maken, botsen
se pointer / radiner – wijzen naar
se tirer / se barrer / se casser – verlaten, weggaan
vadrouiller – ronddwalen, (laten) zwerven


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Het werkwoord foutre

Je m’en fous / Je m’en fiche. – Kan me niet schelen.
Qu’est-ce qu’il fout là-bas?  – Wat doet hij daar in godsnaam??
Je n’en ai rien à  foutre. – Kan me niet schelen. [sterker]  Het kan me niks schelen.
Je m’en fous de tes problèmes. – Ik geef niets om jouw problemen.
Tu t’en fous de ce que les autres pensent. – Het maakt je niet uit wat anderen denken.
On s’en fout de foot! – Wij geven niets om voetbal!
Ils s’en foutent des jeunes. – Ze geven niet om jonge mensen.
Fous moi la paix! – Laat me met rust! Geef me een pauze!
Fous le camp! – F*ck of jij!
Va te faire foutre! – Loop naar de hel!
Un mec bien foutu – een goed gebouwde / gespierde man


Veelvoorkomende bijvoeglijke naamwoorden

bidon – nep
chapeau – goed gedaan, petje af!
chelou – schaduwrijk, verdacht
chiant – vervelend
collant – aanhankelijk
cradingue / crado – vuil, goor
débile – zielig, dom
dégueulasse – proeven
déjanté – excentriek
dingue / cinglé / timbré / givré / barjo – gek
farfelu – excentriek
futé – sluw, sluw, sluw
génial / chouette – groot
godiche – dom, onhandig
gratos – vrij
impec – geweldig, geweldig
mal barré / mal foutu – genaaid
marrant / rigolo – grappig
moche – lelijk
nickel – heel proper
pas terrible – niet goed
radin – goedkoop
roublard – sluw, sluw
salé – duur
sympa – leuk, aardig
vache – gemeen


Zie hier de top 100 belangrijkste Fransen aller tijden.


Bijwoorden

carrément – volledig, helemaal
rudement – heel, vreselijk
pas mal de / un paquet de – veel van
super / mega / hyper – zeer, ultra
vachement – heel erg
foutrement – extreem
Oh la vache! – Oh Allemachtig!
espèce de + adjectif – dom + bijvoeglijk naamwoord
adjectif + de chez + adjectif – echt, volledig + bijvoeglijk naamwoord
Ce livre est nul de chez nul – Dit boek zuigt enorm.
nom + de malheur – verdorie + zelfstandig naamwoord
nom + d’enfer – echt goed + zelfstandig naamwoord


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Zie hier de top 10 historische plaatsen om te bezoeken in Frankrijk.


Verlan

Verlan is een populaire vorm van straattaal waarbij de lettergrepen in gewone woorden worden omgedraaid.

mère – reum
père – reup
femme – meuf
mec – keum
fête – teuf
flic – keuf
louche – chelou
cher – reuch
énervé – vénère
boudin – doubin
capote – poteca
toi – ouat
moi – ouam


Zie hier 100 populairste boeken in Frankrijk.


Gezondheid & lichaam

babines (f) – lippen
barbouze (f) – baard
bide / bidon (m) – buik
Mon chat a un bide énorme! – Mijn kat heeft een enorme buik!
caillou / ciboulot (m) – hoofd
carcasse (f) – lichaam
couille / roubignole (f) – testikel
esgourdes (f) – oren
gueule (f) / bec (m) – mond
Ferme ta gueule! – Hou je mond, kop, bek!
jambons / gigots (m) – dijen
mirettes (f) – ogen
nichons (m) – borsten
palpitant / battant (m) – hart
paluche / pince (f) – hand
panard / ripaton (m) – voeten
patte / gambette / guibole / quille (f) – been
pif / blair (m) – neus
riquiqui (m) – pink
tifs (m) – haar
tignasse (f) – plukje haar
J’ai une tignasse frisée qui m’arrive en bas du dos. – Ik heb krullend haar dat helemaal over mijn rug loopt.
tronche (f) – gezicht, hoofd
se casser la gueule – zijn nek breken
passer sur le billard – een operatie ondergaan
avoir la pêche / la patate – aan de top van de wereld staan, je goed voelen
avoir mal au cœur – zich misselijk voelen / het gevoel hebben te moeten braken
gerber / dégueuler – overgeven
crever / clamser – sterven (figuurlijk)
avoir mauvaise / bonne mine – er slecht / goed uitzien
être maigre comme un clou – echt mager zijn
attraper la crève – een verkoudheid oplopen
tomber dans les pommes / les vapes – flauw vallen
requinquer – opfleuren
se débarbouiller – om je gezicht te wassen
à  l’article de la mort – voor de deur van de dood
bien roulée – mooi gevormd lichaam
mal fichu – ziek
l’hosto [l’hôpital] – ziekenhuis


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Emoties, ruzie en vechten

crevé / lessivé / nase / mort / cassé / vanné / HS [hors-service] – echt moe, uitgeput
avoir le cafard / le blues / le spleen – verdrietig, depressief zijn
être de mauvais poil – in een slechte stemming zijn
en avoir marre / en avoir ras-le-bol / en avoir soupé – beu zijn, boos zijn
J’en ai marre de ces pubs! – Ik word zo ziek van deze advertenties!
avoir les boules / les glandes / les nerfs / la haine – echt boos zijn
raffoler de quelque chose – ergens gek op zijn
être accro à  quelque chose – verslaafd zijn aan iets
avoir le mal du pays – heimwee hebben
se barber – gaan vervelen
avoir la trouille / la frousse – bang zijn
fiche la trouille / frousse à  quelqu’un – iemand bang maken
C’est la première fois qu’une BD me fiche la frousse. – Dat is de eerste keer dat een stripboek me bang maakte.
déconner – grappen, belachtelijk maken
se planter – een fout maken, vallen
péter les plombs / péter un cable – gek worden
perdre la boule / les pédales – zijn verstand verliezen
s’engueuler / bagarrer – vechten, schreeuwen
rififi (m) / bagarre (f) – gevecht
raclée / saucée / trempe (f) – uitbrander
filer une baffe / une claque / une beigne à  quelqu’un – iemand slaan
coller un pain / une mandale / une chataigne / un marron à  quelqu’un – iemand slaan
coquard (m) – zwart oog
furax – woedend, boos
blairer quelqu’un – iemand niet kunnen uitstaan
ne pas sentir quelqu’un – iemand niet aardig vinden
casser les pieds à  quelqu’un / prendre la tête à  quelqu’un – iemand irriteren
être casse – gebroken zijn
cafter quelqu’un – iemand verraden
faire du pétard – een ophef maken
Il fait du pétard quand les choses ne vont pas comme il veut. – Hij maakt zich druk als de dingen niet zijn zoals hij wil dat ze zijn.
rouscailler – klagen
gonfler quelqu’un / emmerder quelqu’un – iemand op de zenuwen werken, lastig zijn
faire chier quelqu’un – iemand echt irriteren, iemand kwaad maken
Ça me fait chier de refaire une année, puis encore deux années en BTS. – Het maakt me kwaad om voor één ​​cijfer over te doen en dan nog twee jaar BTS te hebben.
monter sur ses grands chevaux – boos worden
se mettre en pétard – slechtgehumeurd, boos worden
se faire de la bile – om helemaal opgewonden van te raken
en faire toute une salade – een big deal van maken
taper sur les nerfs à  quelqu’un – iemand op zijn zenuwen werken
chambrer / taquiner – iemand plagen, lastig vallen
Tu te fous de ma gueule? – Maak je een grapje? Denk je dat ik een idioot ben?
Tu me prends pour qui? – Met wie denk je te maken te hebben? Denk je dat ik dom ben?
Lâche-moi les baskets! – Laat me met rust!
Ce sont pas tes oignons! / T’occupe ! – Bemoei je met je eigen zaken!
Laisse béton! – Laat maar zitten! Vergeet het!
Ta gueule! / La ferme! – Hou je mond!
avoir la cosse / flemme – lui zijn
avoir un poil dans la main – lui zijn
avoir la bougeotte – zenuwachtig zijn
flemmard / feignant – lui
glander / glandouiller – tijd verspillen, rondscharrelen
Il glande tous les jours chez lui. – Thuis doet hij de hele dag niets.
se pavaner – paraderen, opscheppen
frimer – opscheppen
frimeur (m) – opschepper
C’est un mec qui a l’air sympathique; c’est pas un frimeur à  ce que je sache! – Hij lijkt me een aardige vent; hij is geen opschepper voor zover ik weet!
lèche – slijmen
raté (m) – verliezer
débile / taré – dom
con (m) / conne (f) – idioot
Casse-toi, pauvre con! – Rot op, stomme idioot!
quiche (f) – stom persoon
bête noire (f) – ergernis
galère (f) – probleem, moeilijkheid
donner un coup de main – iemand een handje helpen / iemand helpen
dépanner quelqu’un – iemand een plezier doen
retirer une épine du pied à  quelqu’un – iemand een groot plezier doen
pot (m) – geluk / drank
bol (m) – geluk
J’ai vachement de bol, j’ai pas de gosses et j’ai une voiture. – Ik heb echt geluk, ik heb geen kinderen en ik heb een auto.
guigne / déveine / poisse (f) – pech
guignard(e)(m/f) – loser
avoir de la veine – geluk hebben
branché – ermee, hip, cool
peinard / pénard – kalm, stil
Cette année, c’est pénard, mais l’année prochaine, le bac! – Dit jaar is het rustig, maar volgend jaar is het bac [eindexamen]!
zen – cool, kalm, lelijk


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


School

bahut (m) – school (ook vrachtwagen, taxi)
Mon bahut est en grève! – Mijn school staakt!
bizut (m) – eerstejaars, belofte (aan een studentenvereniging)
bizutage (m) – ontgroening
bouquin (m) – boek
bûcher / potasser – hard studeren, volproppen
calé en – goed, slim in
cartonner à  un examen – slagen voor een examen
chouchou (m) – lievelingetje van de leraar
colle (f) – moeilijke vraag
coller un élève – een leerling straffen
Mon fils est collé deux heures par son prof de math. – Mijn zoon moest twee uur nablijven van zijn wiskundeleraar.
être collé – nablijven (verplicht)
fac (f) – universiteit
piger – begrijpen, (het) doorkrijgen
plancher – ondervraagd door een leraar
potache (m) – leerling
se faire étendre / coller à  un examen – voor een test zakken
sécher un cours – klas overslaan


Zie hier de Top 25 Mooiste bezienswaardigheden in Normandië.


Weer & tijd

cailler – bevriezen
cramer – verbranden
flotter – regenen
flotte (f) – water
froid de canard – echt koud weer
temps de chien – hondenweer
tomber des cordes – zwaar regenen, gieten
il pleut comme vache qui pisse – het giet, het komt echt naar beneden
saucée (f) – douche
se peler les miches – je reet eraf bevriezen
Je suis frileuse et je me pèle les miches été comme hiver. – Ik heb het altijd koud en ik bevries mijn reet in de zomer zoals in de winter.
entre chien et loup – in de schemering, zonsondergang
il y a des lustres – een lange tijd geleden
pige (f) – jaar
un de ces quat’ – een dezer dagen


Praten & chatten

avoir de la tchatche – veel praten
avoir un mot sur le bout de la langue – een woord op het puntje van je tong hebben
baratin (m) – onzin
baratiner – slijmen
bavarder / causer – chatten
Elle aime causer et tout le monde la connaît. – Ze praat graag en iedereen kent haar.
blaze (m) – naam
casser les oreilles à  quelqu’un – iemand de oren van zijn kop lullen
chanter comme une casserole – heel slecht zingen
charabia (m) – brabbeltaal
charrier – overdrijven
dégoiser – veel praten, ratelen
déjanter – onzin praten, gek worden
donner un coup de fil – bellen, telefoneren
et patati et patata – bla bla bla
jacter – praten, chatten
parler une langue comme une vache espagnole – een taal heel slecht spreken
passer du coq à  l’âne – om snel van onderwerp te veranderen
quand on parle du loup – als we het over de duivel hebben
ragots – geruchten, roddels
Si quelqu’un dit des ragots sur moi, alors je m’en fous. – Als iemand geruchten over mij verspreidt, kan het me dat niet schelen.
rouspéter – klagen, kreunen
tchatcher – chatten
tuyau (m) / astuce (f) – tip, advies


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Eten & drinken

avoir la dalle – hongerig zijn
J’ai la dalle et je sais pas quoi faire à  manger. – Ik heb honger en ik weet niet wat ik moet eten.
avoir la gueule de bois – een kater hebben
avoir les crocs – erg hongerig zijn
avoir un petit creux – een beetje honger hebben
arroser – drinken om iets te vieren
barbaque / bidoche (f) – vies vlees
Berk! – Bah!
blonde (f) – ale
boire un verre / un coup / un pot – om te gaan drinken
bouffe / boustifaille (f) – voedsel
bouffer – eten
boui-boui (m) – slecht restaurant
bourré / pété / rond / saoul / défoncé / plein – dronken
ça fouette – dat stinkt (kaas)
casser la croûte – een snack eten
On a cassé la croûte avec une vue magnifique depuis le nord au sud du Mont-Blanc – We hadden een snack met een prachtig uitzicht van het noorden tot het zuiden van de Mont Blanc.
chaud – aangeschoten, zoemend
chopine (f) – fles wijn
dégueulasse – proeven
gavé – gevuld (te veel gegeten)
se goinfrer / s’empiffrer / se taper – uitknijpen
gueuleton (m) – feest met overvloed aan eten
Miam! – Jammie!
péter – scheten laten (ook: barsten, opblazen, knappen)
picole (f) – alcohol, drank
picoler – alcohol drinken
picoleur, picoleuse – drinker
pinard (m) – goedkope wijn
pochtron / poivrot (m) – dronkaard
prendre une cuite – bezatten
pression (f) – tapbier
régaler – behandelen, betalen
repu – vol door eten
roter – boeren
tituber – (dronken) struikelen
Il titubait et hurlait dans les couloirs, complètement bourré. – Hij strompelde en schreeuwde in de gang, helemaal dronken.
tournée (f) – rondje drankjes
trinquer – proosten, drinken op, kan ook betekenen verwoest zijn, lijden: bij een scheiding zijn het altijd de kinderen die eronder lijden.


Dieren & mensen

beauf (m) – zwager / Fransman uit de lagere klasse
belle-doche (f) – schoonmoeder
canaille (f) – schurk, schurk
copain / copine (m/f) – vriend
fiston (m) – zijn
frangin (m) – broer
frangine (f) – zus
gamin/e (m/f) – snotneus
gars (m) – jongen
gosse (m/f) – kind [wees voorzichtig: dit betekent testikels in het Frans van Quebec!]
loulou / loulotte – vriendje, vriendinnetje
mec / keum / type (m) – vent
meuf [Verlan voor femme] – vrouw
mà´me (m/f) – snotneus
moutards / lardons / marmots / morveux (m) – kinderen
nana / gonzesse (f) – meisje
pote (m) – vriend, maat
racaille (f) – uitschot
reum [Verlan voor mère] – moeder
reup [Verlan voor père] – vader
ricain(e) – Amerikaans
vieux (m) – ouders
voyou / gouape – punk, hooligan
clébard (m) – straathond, hond
piaf (m) – vogel


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Plaatsen & transport

piaule / crèche (f) – slaapkamer
pieu / plumard / pageot (m) – bed
crècher – crashen, leven
pioncer / roupiller – slapen
truc / machin (m) – een ding, thingamajig
bordel (m) / bazar (m) / galère (f) – troep
C’est quoi ce bordel? – Wat is al deze rommel?
bagnole / caisse (f) – omdat
baraque (f) – schuur, staan, huis
bled perdu (m) – nergenssville, in de boonies
Je viens du fin fond de la Bretagne dans un bled perdu o๠il n’y a rien à  faire. – Ik kom uit de sloppenwijken uit het diepe Bretagne, waar niets te doen is.
coin (m) – plaats in het algemeen
se taper 10 bornes à  pied – 10 kilometer lopen
borne (f) – kilometer


Werk & geld
arnaquer – afzetten, bedriegen
arnaqueur (m) – oplichter
balle (f) – frank (veel Fransen denken nog steeds in franken in plaats van euro’s)
BCBG [bon chic bon genre] – chic, stijlvol, preppy
bo-bo [Bourgeois Bohême] – persoon met een goede baan en een Boheemse levensstijl
boîte (f) – bedrijf
bosser – werken
boulot (m) – functie
bourge (n) – burgerlijk, middenklasse
claquer – om geld te blazen
clodo / clochard (m) – zwerver, dakloze
douloureuse (f) – rekening (waarvan je weet dat deze hoog zal zijn)
École de comptabilité – boekhoudschool
être plein aux as – veel geld hebben
fric / pognon / blé / des sous / pèze / l’oseille (m) – geld
fauché / à  sec / raide / dans la dèche – kapot gegaan
faux jeton (m) – tweezijdig, hypocriet (politicus)
flic / keuf / poulet (m) – politieagent
grippe-sou (f) – penny knijper
gyneco [gynécologue] – gynaecoloog
kiné [kinésithérapeute] – fysiotherapeut
mettre au clou – haken, verpanden
prolo (m) – arbeidersklasse
proprio [propriétaire] – verhuurder, hospita
psy [psychologue] – psycholoog
radin – goedkoop
reuch – duur
richard (m) – zeer rijke man
rmiste (m) – iemand met een WW-uitkering
salé – duur (een rekening)
se faire arnaquer – opgelicht worden
smicard (m) – iemand die minimumloon verdient
thune (f) – geld / munten
toubib (m) – arts
turbin (m) – baan, dagelijkse sleur
Ça coûte la peau des fesses ! / Ça douille ! – Dat is echt duur!


Liefde & daten
avoir le béguin pour quelqu’un / craquer pour quelqu’un / en pincer pour quelqu’un – op iemand verliefd zijn
avoir le coup de foudre – liefde op het eerste gezicht
brancher quelqu’un – iemand proberen te verleiden
bombe (f) – aantrekkelijke vrouw
boudin / thon / pou (m) – lelijk persoon [dit zijn gemene woorden!]
canon (m) – zeer aantrekkelijke persoon
capote (f) / chapeau / gant (m) – condoom
choper / emballer / embarquer quelqu’un – iemand succesvol verleiden, versieren
draguer / flirter – flirtenr
en cloque – zwange
se faire jeter / se prendre une veste – afgewezen worden
gars / mec / type / bonhomme / keum – vent
kiffer – leuk vinden
lové – knuffelig
larguer / plaquer – vertrekken, dumpen (een persoon)
mater quelqu’un – aanstaren
moche – lelijk
nana / nénette / minette / gonzesse / meuf – vrouw, meisje, meid
se remettre de quelqu’un – over iemand heen komen
rencard (m) – date. afsprakje
rouler un patin / une pelle à  quelqu’un – iemand een tongzoen geven
poser un lapin à  quelqu’un – iemand opstaan ​​(voor een date)
tripoter / peloter – smelten


Mode & winkelen

baskets (m) – tennisschoenen, sneakers
bermuda (m) – knielange shorts
body (m) – rompertje
costard (m) – volgt
fringues (f) – kleren
futal (m) – broek
godasse (f) – schoenen
jogging / survêt / training (m) – jogging pak
pébroc / pépin / chamberlain (m) – paraplu
pompe (f) – schoenen
shorty (m) – ondergoed voor vrouwen
string (m) – string ondergoed
sweat (m) – sweatshirt
brushing (m) – föhnen
fringué / sapé – gekleed
lifting (m) – facelift
rabais – korting
relooking (m) – make-over
ringard – ouderwets, uit de mode


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Entertainment & technologie

clope / sèche (f) – sigaret
came (f) – drugs
défoncé – hoog
boîte (f) – nachtclub, bar
court-jus (m) – kortsluiting
boum / teuf (f) – partij
resto (m) – restaurant
se faire un resto – uit eten gaan
s’éclater – Plezier hebben
se marrer – lachen
mater la téloche – tv kijken
se faire un ciné / se faire une toile – naar de film gaan
cinoche (m) – bioscoop
faire un tabac – een hit, succes zijn (een film, een lied, enz.)
tube (f) – hitnummer
play-back (m) – lipsynchronisatie
zapping (m) – zappen
people / pipol (m) – beroemdheden
casting (m) – horen
book (m) – portfolio (voor een model, acteur, etc.)
potin (m) – roddel


Dood & verderf

buter – doden
taule / calèche (f) – gevangenis
maton (m) – gevangenisbewaker
se faire la belle / se carapater – wegrennen, ontsnappen
cavale (f) – ontsnappen (uit de gevangenis)
pétard (m) – pistool


Babypraat

faire dodo – naar bed gaan
avoir un bobo – pijntje hebben
faire pipi – plassen
faire caca – poepen
mamie / mémé – grootmoeder
pappy / pépé – opa
tata / tatie – tante
tonton – oom
doudou (m) – favoriete knuffeldier / dekentje
joujoux (m) – speelgoed
nounours (m) – knuffelbeer
toto (m) – omdat
lolo (m) – melk
minet (m) – pot
toutou (m) – hondje
dada (f) – paard


Eigennamen

A la tienne, Etienne! – Proost!
Ça glisse, Alice! – Het is glad!
Tu parles, Charles! – Zeker weten!
Tranquille, Emile! – Rustig aan!


Zie hier de top 61 best geletterde landen ter wereld.


Spreekwoorden

C’est en forgeant qu’on devient forgeron. – Oefening baart kunst.
Si jeunesse savait, si vieillesse pouvait. – Als de jongeren het wisten, als de ouderen het konden.
Tout comprendre, c’est tout pardonner. – Begrijpen is vergeven.
Vouloir, c’est pouvoir. – Waar een wil is is een weg.
Un de perdu, dix de retrouvés. – Er veel meer vissen in de zee.
L’habit ne fait pas le moine. – Kleren maken de man niet.


Met dieren

avoir d’autres chats à  fouetter – betere dingen te doen hebben
avoir un chat dans la gorge – een kikker in je keel hebben
doux comme un agneau – mak als een lammetje
un froid de canard – heel koud
appeler un chat un chat – het beestje bij de naam noemen
s’entendre comme chien et chat – om met elkaar om te gaan als katten en honden
un mal de chien – moeilijkheden
une vie de chien – moeilijk, hard leven
passer du coq à  l’âne – om snel van onderwerp te veranderen
avoir une mémoire d’éléphant – een olifantengeheugen hebben
avoir une faim de loup – hongerig zijn
marcher à  pas de loup – sluipen
revenir à  ses moutons – om terug te komen op het onderwerp
avoir la chair de poule – kippenvel hebben
quand les poules auront les dents – wanneer varkens vliegen
une peau de vache – een gemeen persoon
une langue de vipère – iemand die vaak slecht over anderen spreekt
chercher la petite bête – muggenziften
avoir le cafard – neerslachtig, depressief zijn
entre chien et loup – in de schemering, zonsondergang
avaler des couleuvres – zijn trots inslikken
la brebis galeuse de la famille – zwarte schapen van de familie
le bouc émissaire / le dindon de la farce – zondebok
avoir une araignée au plafond – ze niet op een rijtje hebben
être heureux comme un poisson dans l’eau – je als een vis in het water voelen
il y a anguille sous la roche – ik ruik een rat, verraad
il faut ménager la chèvre et le chou – je moet rennen met de hazen en jagen met de honden
jetter quelqu’un dans la fosse aux lions – iemand voor de leeuwen gooien
se jetter dans la gueule du loup – de hand in de muil van de leeuw steken
courir deux lièvres à la fois – om op twee paarden tegelijk wedden
mettre la charue avant les bÅ“ufs – de kar voor het paard spannen
ce n’est pas à  un vieux singe qu’on apprend à  faire des grimaces – je kunt een oude hond geen nieuwe trucjes leren
être hardi comme un coq sur son fumier – een opschepper zijn
avoir une fièvre de cheval – hoge koorts hebben


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Lichaamsdelen

se creuser la tête – heel hard nadenken
se croire sorti de la cuisse de Jupiter – denken dat jezelf beter bent dan alle anderen
se mettre le doigt dans l’œil – een fout maken
rester bouche cousue – niets zeggen, geheim bewaren
avoir le coeur sur le main – het hart op de tong dragen
avoir un cheveu sur la langue – lispelen
ne pas avoir la langue dans sa poche – spraakzaam zijn
avoir la langue bien pendue – om te weten hoe te antwoorden, praten
faire la tête – zeuren, mokken
garder la tête froide – kalm blijven
ne pas avoir froid aux yeux – niet bang zijn
avoir / mettre l’eau à  la bouche – mond spoelen
rester bouche bée – sprakeloos zijn
ne rien faire de ses dix doigts – lui zijn
avoir l’estomac dans les talons – honger hebben
prendre ses jambes à  son cou – snel weggaan
ne pas lever le nez – zich ergens op concentreren
à l’œil – zonder te betalen, gratis
faire la sourde oreille – niet willen luisteren, horen
être bête comme ses pieds – dom zijn
mettre les pieds dans le plat – iets stoms zeggen, doen
coûter les yeux de la tête – een arm en een been kosten, duur
se payer la tête de quelqu-‘un – iemand voor de gek houden
donner sa langue au chat – opgeven
avoir les dents longues – ambitieus zijn
avoir le bras long – invloed hebben, connecties
être au bout de la langue – op het puntje van je tong liggen
avoir un poil dans la main – lui zijn, werk vermijden
casser les pieds à  quelqu’un – iemand op zijn zenuwen werken
manger sur le pouce – een hapje gaan eten
enlever une épine du pied à  quelqu’un – iemand helpen
dormir sur les deux oreilles – goed, lekker slapen
prendre la lune avec les dents – proberen het onmogelijke te doen
rebattre les oreilles – hetzelfde verhaal keer op keer herhalen


Zie hier de top 10 landen met meeste Franssprekende bewoners .


Getallen

en moins de deux – heel snel
chercher midi à  quatorze heures – dingen ingewikkeld maken
comme deux et deux font quatre – zeker
les deux font la paire – beide zijn hetzelfde
jamais deux sans trois – iets dat twee keer is gebeurd, zal een derde keer gebeuren
ni une ni deux – zonder aarzeling, zeer snel
quatre à  quatre – snel
dire des quatre vérités à  quelqu’un – zeggen wat je van iemand vindt
se mettre en quatre – zichzelf een zware taak geven
un de ces quatre – een dezer dagen
être tiré à  quatre épingles – goed gekleed zijn
tourner sept fois sa langue dans sa bouche – tijd nemen om na te denken alvorens te spreken
voir trente-six chandelles – sterretjes zien
faire les cent pas – heen en weer lopen, komen en gaan
faire les quatre cents coups – een hectisch en chaotisch leven leiden
se mettre sur son trente et un – goed gekleed zijn, er goed uitzien


Kleuren

blanc bonnet et bonnet blanc – hetzelfde
être blanc comme un linge – wit zijn van angst
passer une nuit blanche – een slapeloze nacht hebben
donner carte blanche à  quelqu’un – iemand laten doen wat hij wil
être un cordon bleu – een goede kok zijn
être fleur bleu – sentimenteel zijn
avoir une peur bleue – doodsbang zijn
être la bete noire – het zwarte schaap zijn
avoir des idées noires – verdrietig zijn
voir la vie en rose – de goede kant van de dingen zien, optimistisch te zijn
donner le feu vert – groen licht geven
se mettre au vert – uitrusten op het platteland
devenir pourpre – rood worden van schaamte


Groente

appuyer sur le champignon – heel snel gaan, versnellen
être haut comme trois pommes – klein zijn
ne pasêtre dans son assiette – jezelf niet voelen
sucrer les fraises – seniel zijn, gek zijn
tomber dans les pommes – flauwvallen, flauwvallen
couper la poire en deux – halverwege ontmoeten
jeter de l’huile sur le feu – olie op het vuur te gooien
tondre desœufs – een kale kip kun je niet plukken
pédaler dans la semoule – doormodderen, ploeteren
c’est la goutte d’eau qui fait déborder la vase – de druppel die de emmer deed overlopen
mettre du beurre dans les épinards – financieel bijspringen
casser du sucre sur son dos – leugens over iemand verspreiden, achter zijn, haar rug om over iemand praten
être dans le pétrin – in de war zijn


1000 moderne Franse woorden en uitdrukkingen – Franse straattaal


Overige

être dans ses petits souliers – niet op je gemak te voelen
avoir des oursins dans la poche – gierig, goedkoop zijn
faire d’une pierre deux coups – twee vliegen in een klap slaan
ne pasêtre de la dernière pluie – niet van gisteren zijn
pendre la crémaillère – een housewarmingfeestje houden
vendre la mèche – een geheim te vertellen
n’y voir que du feu – alleen maar ellende zien
ne pas y aller avec le dos de la cuillière – niet subtiel zijn over iets
faire un chèque en bois – nalaten te betalen
manger les pissenlits par la racine – madeliefjes opduwen, dood en begraven zijn
tourner autour du pot – om de hete brij heen draaien
se mettre à  table – bekennen, schoon schip maken
mettre des bâtons dans les roues de quelqu’un – een spaak in iemands wiel steken
reprendre ses billes – afzien van een deal
un coup d’épée dans l’eau – verspilde moeite
être au four et au moulin – op twee plaatsen tegelijk zijn
faire le pont – een lang weekend nemen
tirer les plans sur la comète – luchtkastelen bouwen
ce n’est pas la mer à  boire – het is niet zo erg allemaal
c’est au bout du monde – het is de halve wereld rond, ver weg
ce n’est pas le Pérou – het is niet om over naar huis te schrijven, het is niet veel
tirer le diable par la queue – nauwelijks rondkomen, het moeilijk hebben
il ne faut pas déshabiller Pierre pour payer Paul – je moet Paul niet beroven om Peter te betalen
parler à  quelqu’un à  brûle-pourpoint – iemand direct confronteren
raconter des histoires à  dormir debout – sterke verhalen vertellen
prendre la poudre d’escampette – snel weggaan
tirer son épingle du jeu – uit een moeilijke situatie weten te komen
mener en bateau – iemand om de tuin leiden, liegen