Belangrijkste woorden in het Duits – De top 1250

Belangrijkste woorden in het Duits
Belangrijkste woorden in het Duits

Belangrijkste woorden in het Duits – De top 1250

Van Wikipedia: Met rond de 120 miljoen moedertaalsprekers is het Duits de grootste taal in de Europese Unie en na het Russisch de grootste taal in Europa. De woordenschat van het Nederlands vertoont sterke gelijkenissen met die van het Nederduits en Hoogduits.

Het Nederlands en het Duits zijn zeer nauw verwante talen en kennen dus zeer veel cognaten. De meeste Nederlandse woorden lijken hierdoor zowel qua vorm als betekenis sterk op hun Duitse vertaalequivalent. Ook zijn het Nederlands en het Duits tot op zekere hoogte wederzijds verstaanbaar.

Hier informatie over Duitsland? Ga naar het Goethe-institituut.


Lees hier ->>> meer over Duitsland op deze website.


Toch is het voor Nederlandstaligen vaak juist hierdoor weer moeilijk om het Duits echt goed te verstaan en te spreken (en natuurlijk vice versa), aangezien veel etymologisch verwante woorden nét iets anders betekenen. Men moet bij zowel het verstaan als het spreken van Duits erg bedacht zijn op valse vrienden, enkele voorbeelden: See (“meer”), Meer (“zee”), Winkel (“hoek”), einladen (“uitnodigen”), bellen (“blaffen”), dürfen (“mogen”), brauchen (“behoeven, benodigen”), werden (“worden” of “zullen”), einstellen (opheffen), machen (doen) en schlimm (“erg”).

Belangrijkste woorden in het Duits (van Nederlands naar Duits)


0 – null
1 – eins
2 – zwei
3 – drei
4 – vier
5 – fünf
6 – sechs
7 – sieben
8 – acht
9 – neun
10 – zehn
11 – elf
12 – zwölf
13 – dreizehn
14 – vierzehn
15 – fünfzehn
16 – sechzehn
17 – siebzehn
18 – achtzehn
19 – neunzehn
20 – zwanzig
(aan)tonen – zeigen
(des)ondanks – trotz(dem)
(op)bellen – anrufen
aan – an
aan de beurt zijn  (wie is er aan de beurt?) – an der Reihe sein
aanbevelen – empfehlen
aantal – Zahl
aantonen / bewijzen – belegen
Aanvankelijk – Anfangs
aard / soort – Art
aardappel – Kartoffel
aardig (niet: netjes) – nett
Abstract – Abstrahierung
acht – acht
achtentwintig – achtundzwanzig
achter – hinter
achttien – achtzehn
adres (het) – Adresse
afkeuren – ablehnen
afrit – Ausfahrt
afspraak – Absprache/Verabredung
afwassen – abwaschen
Afzwakking – Abschwächung
al – schon
al helemaal – gar
al / reeds – bereits
al / reeds – schon
Algemeen – Verallgemeinerung
alinea – Absatz
alle – alle
alleen – nur
alleen – alleine
allemaal – alle
allereerst – zunächst
alles – alles
als – wenn
als – wenn
Als laatste – Zuletzt
alsjeblieft – bitte
altijd – immer
amper, nauwelijks – kaum
ander – andere
anders – anders
antwoord (het) – Antwort
antwoordapparaat (het) – Anrufbeantworter
appel – Apfel
appelsap – Apfelsaft
april – April
armband – Armband
artikel (het) – Artikel
augustus – August
auteur (m/v) – Verfasser(in)
auto – Auto
avond – (der) Abend (die Abende)
avondeten (het) – Abendessen
baard – Bart
baas – Boss
bad (het) – Bad
badkamer – Badezimmer
bakken – backen
banaan – Banane
band – Band
bank – Bank
basterdsuiker – bruiner Zucker (fein)
bedoelen – meinen
beetje (het) – bißchen
begrijpelijk (niet: verstandig) – verständlich
begrijpen – verstehen
behalve – außer
bel – Klingel
belangrijk – wichtig
beleg (het) – Belag
bellen – telefonieren (telefonierte, telefoniert)
beloven (niet: verspreken) – versprechen
Beperking – Einschränkung
beperkt – gevolgen
Beredenering – Begründung
beschermen – schützen
beslissen – entscheiden
beslissing – Entscheidung
beste (het) – Beste
bestek (het) – Besteck
betalen – bezahlen
betekenen – bedeuten
betekenen – bezeichnen
beterschap – Gute Besserung
betrokken – beteiligt
bevatten – erhalten
Bevestiging – Bestätigung
beweren – behaupten
bewering – Behauptung
Bewijs – Beweis
bezoek (het) – Besuch
bibliotheek (bieb) – Bibliothek
bier (het) – Bier
bij – bei
bijna (niet: vast) – fast
bijna (niet: knap) – knapp
bijten – beißen
bijvoorbeeld – etwa
bijvoorbeeld – zum Beispiel
binnen – innen
bioscoop – Kino
blad (het) – Blatt
blauw – blau
blessure / overtreding – Verletzung
blij – froh
blij zijn – sich
blijkbaar (niet: openbaar) – offenbar
blijven – bleiben
blikopener – Dosenöffner
bloem – Blume / Mehl
blouse – Bluse
boek (het) – Buch
boekenkast – Bücherregal
bonen – Bohnen
boodschappen doen – Einkäufe machen
boom – Baum
boos – böse
boot – Boot
bord (het) – Teller
borstel – Bürste
bos (het) – Wald
boter – Butter
bouwen – bauen
boven – oben
branden – brennen
breken – brechen
brief – Brief
brievenbus – Briefkasten
bril – Brille
broek – Hose
broer – Bruder
bromfiets/brommer – Moped
brood (het) – Brot
brug – Brücke
bruin – braun
bui – Regenschauer
buik – Bauch
buiten – draußen
bureau (het) – Schreibtisch
buren – Nachbarn
bus – Bus
bushalte – Bushaltestelle
buurman – Nachbar
buurt – Nachbarschaft
buurvrouw – Nachbarin
cadeau (het) – Geschenk
café (het) – Café
cake – Kuchen
chagrijnig – schlecht gelaund
chips – Chips
chocola – Schokolade
chocolademelk – Kakao
cirkel – Kreis
citroen – Zitrone
computer – Computer
concluderen uit – schliessen
Conclusie – Schlussfolgerung
concreet maken – konkretisieren
correct – richtig
daar – da / dort
daar – dort
daar komt bij, daarnaast – zusätzlich
daarbij – Zudem
daarentegen – dagegen /
daarom / vandaar – deswegen
daartoe / daarvoor – dazu
dag – (der) Tag (die Tage)
dag – Wiedersehen
dak (het) – Dach
dames – Damen
dan – dann
dank u (wel) – danke
dankjewel – danke
dansen – tanzen
das – Krawatte
dat – das
dat zijn… – das sind ….
data / gegevens – Daten
de / het – der/die/das
december – Dezember
deel – Teil
deelstaat (16 in Duitsland) – Bundesland
denken – denken (dachte, gedacht)
derde – dritte
derhalve / daarom – deshalb
dertien – dreizehn
dertig – dreißig
desalniettemin – dennoch
destijds – damals
deur – Tür
deze – diese(r/s)
dicht/gesloten – geschlossen
die – jene
diep – tief
dier – Tier
dik – dick
ding (het) – Ding
dinsdag – Dienstag
dit – dieses
dit zijn… – das sind
dobbelsteen – Würfel
dochter – Tochter
doei – tschüss
doei / tot ziens – Tschüss7bis bald
doel – Ziel
doen – tun
doen (niet: maken) – machen
doen / onderwijs, opvoeding – Onderzoek
dokter – Arzt
donderdag – Donnerstag
donker – dunkel
dood – tot
door – durch
doos – Dose
dorst – Durst
dozijn (het) – Dutzend
draaien – drehen
dreiging (be)dreigen – (be)drohen
drempel – Türschwelle
drie – drei
drieëntwintig – dreiundzwanzig
driehoek – Dreieck
drinken – trinken
drogen – trocknen
droog – trocken
duidelijk (niet: klaar) – klar
duim – Daumen
duinen – Dünen
duizend – tausend
dun – dünn
dus – also
dus / daarom – demnach
dus / daarom – so
duur – teuer
duurzaam – dauerhaft
echt – echt / wirklich
echter – jedoch/aber
echter – allerdings
echter – jedoch
economie – Wirtschaft
een – ein / 1
een berichtje *achterlaten – eine Nachricht *hinterlassen
een momentje a.u.b. – einen Moment *bitte
een week geleden – vor einer Woche
eenentwintig – einundzwanzig
eenzaam – einsam
eergisteren – vorgestern
eerste – erste
EHBO – Erste Hilfe
ei (het) – Ei
eigen – eigene(r/s)
eigenaar – Eigentümer
eigenlijk – eigentlich
eisen – fordern
elastiek (het) – Gummibändschen
elektrisch – elektrisch
elf – elf
elk(e) – jede
elkaar – einander
elke – jeder /
elleboog – Ellenbogen
emmer – Eimer
en – und
enerzijds / anderzijds – einerseits
enkel – Enkel
enkelvoud (het) – Einzahl
enthousiasme / enthousiast – Begeisterung
er – es (so wie: es ist etwas passiert)
erg (niet: slim) – schlimm
ergernis – Ärger
eten – essen
even – eben
evenals / alsook – sowie
eveneens / ook – ebenfalls
excuseer mij – Entschuldigen Sie
fax – Fax
faxen – faxen
februari – Februar
feest (het) – Party
feit – genoemd
fiets – Fahrrad
fietsen – Fahrad fahren
fietspad (het) – Radweg
fijn/leuk – fein
file – Stau
film – Film
fles – Flasche
fluisteren – flüstern
foto – Photo
fout – falsch
fout – Fehler
foutmarge – Fehlerquote
fris – frisch / kalt
fruit (het) – Frucht
fruitschaal – Fruchtschale
gaan naar – gehen zu
gang – Gang
gans / helemaal – ganz
gapen – gähnen
garage – Garage
gast – Gast
gebeuren – passieren
gebrekkig – mangelhaft
gebruiken – gebrauchen
gecondoleerd – Beileid
geel – gelb
geen – kein
gefeliciteerd – Glückwunsch
Gegensatz – Tegenstelling
gehakt (het) – Gehacktes
geheugen – Gedächtnis
gek – verrückt
geld (het) – Geld
geloven – glauben
geluid (het) – Geräusch
geluk – Glück
gelukkig – glücklich
geraspte kaas – geraspelter Käse
geschiedenis / verhaal – Geschichte
gesloten – geschlossen
gestorven / overleden – gestorben
geval – Fall
geven – geben (gab, gegeben)
Gevolg / conclusie – Folge
geweld – Gewalt
gewoon – normal
gezellig – gesellich
gezicht (het) – Gesicht
gezond – gesund
gisteren – gestern
glas (het) – Glas
glimlachen – lächeln
goed – gut
goedemorgen – Guten Morgen
goedkoop – billig / günstig
gokken – um Geld spielen
golfen – golfen
gooien – werfen
gordijn (het) – Gardine
graag – bitte
gracht – (Stadt)graben
graden – Grad
grapje (het) – Witz
gras (het) – Gras
griep – Grippe
grijs – grau
groeien – wachsen
groen – grün
groente – Gemüse
groetjes – Grüße
groot – groß
grootmoeder – Oma
grootvader – Großvater
gum – Radiergummi
haar – ihr
haar (het) – Haar
hagel – Hagel
hagelen – hageln
hagelslag – Schokoladenstreusel
halen – holen
half – halb
hallo – hallo
halte – Haltestelle
ham – Schinken
hamer – Hammer
handdoek – Handtuch
handtekening – Unterschrift
hangen – hängen
hard – hart
hart – Herz
hebben – haben
heel – ganz / heil
heet – heiß
heg – Hecke
hek (het) – Zaun
helaas – leider
helft – Hälfte
helpen – helfen (half, geholfen)
heren – Herren
herhalen – wiederholen
hersenen – Hirn
het – es
het – das
het spijt me – Es tut mir leid
heten (Ik heet Sylvia) – heißen
hetzelfde – das selbe
hier – hier
hij – er
hobby – Hobby
hoe – wie
hoe laat? – wie spät?
hoe? – wie?
hoed – Hut
hoek – Ecke
hoewel – obwohl
hoezo? – Wieso?
hond – Hund
honderd – hundert
honger – Hunger
honing – Honig
hoofd (het) – Kopf
hoofdstuk (het) – Kapitel
hopen – hoffen
horen – hören
horen bij – gehören
horloge (het) – Uhr
hotel – Hotel
houden van – lieben (liebte, geliebt)
hout (het) – Holz
huichelachtig / hypocriet – heuchlerisch
huilen – weinen
huis (het) – Haus
huiswerk (het) – Hausaufgaben
hulp – Hilfe
humorist – Humorist
hun – ihr
hun / van hen – deren
huren – mieten
huwelijk (het) – Hochzeit
iedereen – jeder
iets – etwas
ijs (het) – Eis
ijzer (het) – Eisen
ik – ich
ik ben jarig – Ich habe Geburtstag
ik ben verkouden – Ich bin erkältet
ik denk dat… – Ich denke dass…
ik heb het druk – Ich bin beschäftigt
Illustratie – Illustration
in – in
in ieder geval / toch – immerhin
In twijfel trekken – in
in elk geval – jedenfalls
in de toekomst – künftig
in plaats van – statt
in plaats daarvan – stattdessen
inderdaad – tatsächlich /
informatie – Information
Inleiding – Einleitung
inpakken – einpacken
inschenken – einschenken
intussen – inzwischen
ja – ja
jaar – (das) Jahr (die Jahre)
jaar (het) – Jahr
jam – Marmelade
jammer – schade
januari – Januar
jas – Jacke
je/jij – du
jeugd – Jugend
jij/je*u – du*Sie
joggen – joggen
jong – jung
jongen – Junge
journaal (het) – Nachrichten
jouw/je*uw – dein*Ihne
juf – Lehrerin
juist – richtig
juist / precies – gerade
juli – Juli
jullie – ihr
jullie / je – eure
juni – Juni
jurk – Kleid
kaars – Kerze
kaartje (het) – Ticket/Karte
kaas – Käse
kalender – Kalender
kalf (het) – Kalb
kam – Kamm
kanaal (het) – Kanal
kandelaar – Kerzenständer
kaneel – Zimt
kapot – kaputt
kapper – Frisör
kassa – Kasse
kast – Schrank
kat – Katze
katoen (het) – Baumwolle
kauwgom – Kaugummi
keel – Kehle
kelder – Keller
kennen – kennen
kerst – Weihnachten
ketting – Kette
keuken – Küche
keuze / verkiezingen – Wahl
kiezen – wählen
Kijk uit!/Pas op! – Pass auf!
kijken naar – gucken nach
kilo – Kilo
kilometer – Kilometer
kin – Kinn
kind (het)* (de kinderen) – Kind*(Kinder)
klant – Kunde
kleding – Kleidung
klein – klein
kleindochter – Enkelin
kleingeld (het) – Kleingeld
kleinkind (het) – Enkel
kleinzoon – Enkel
kleren/kledung – Kleider
kleur – Farbe
kleuterschool – Vorschule
klimmen – klettern
klinken – klingen
klok – Uhr
knie – Knie
knikken – nicken
knippen – schneiden mit Schere
knoflook – Knoblauch
knoop – Knopf
koe – Kuh
koekenpan – Pfanne
koekje (het) – Keks
koelkast – Kühlschrank
koffie – Kaffee
koffie verkeerd – Milchkaffee
koffie/thee zetten – Kaffee/Tee machen
koffiemelk*koffieroom – Kaffeesahne
koken – kochen
komen – kommen (kam, gekommen)
komende/volgende week – nächste Woche
komkommer – Gurke
kopen – kaufen
kopje (het) – Tasse
kort – kurz
korte broek – Shorts
kosten – kosten
koud – kalt
kous – Strumpf
kraan – Hahn/Kran
kracht – Kraft
krant – Zeitung
krijgen (niet: bekomen) – bekommen
kruiden – Kräuter
kruidenthee – Kräutertee
kruidnagel – Nelke
kruising / het kruispunt – Kreuzung
kuit – Wade
kunnen – können
kurk – Korken
kurkentrekker – Korkenzieher
kussen (het) – Kissen
kussen (ik kus) – küssen
kwaliteit – Qualität
kwart – viertel
kwetsen / overtreden – verletzen
la – Schublade
laars – Stiefel
laat (later) – spät(er)
lachen – lachen
lamp – Lampe
land (het) – Land
lang – lang
langzaam – langsam
Later – Später
lawaai (het) / de herrie – Lärm
lawaai (het)/ de herrie – Lärm
leeftijd – Alter
leeg – leer
leiden / voeren – führen
lekker – lecker
lelijk – häßlich
lenen – leihen
lente / het voorjaar – Frühling
lepel – Löffel
leren – lernen / lehren
les – Unterrichtsstunde
leugen – Lüge
leuk – schön
leuk vinden – mögen (mochte, gemocht)
leven – leben
lezen – lesen
lichaam – Körper
licht (het) – Licht
licht, eenvoudig – leicht
lied (het) – Lied
lief – Liebes
liever: *ik heb liever… – lieber: *Ich habe lieber…
lijken op – ähneln
limonade – Limonade
links – links
lip – Lippe
logeren – übernachten
lopen – laufen
lucht – Luft
lui – faul
luidspreker – Lautsprecher
luier – Windel
luisteren – zuhören (hörte zu, zugehört)
luisteren naar – zuhören
lukken – gelingen
lunch – Mittagessen
lunchen – Mittag essen
maag – Magen
maaltijd – Mahlzeit
maan – Mond
maand – (der) Monat (die Monate)
maandag – Montag
maar – aber / nur
maart – März
maatregel – Maßnahme
maatschappij – Gesellschaft
macaroni – Macaroni/Nudeln
mager – dünn
makelaar – Wohnungsmakler
maken – machen
makkelijk – einfach
man – Mann
mand – Korb
mandarijn – Mandarine
markt – Markt
meenemen – mitnehmen
meer – mehr
meer (het) – See
meervoud (het) – Mehrzahl
meester/leraar – Lehrer
mei – Mai
meisje (het) – Mädchen
melk – Milch
meneer – Herr
mens – Mensch
mensen – Leute
menukaart – Speisekarte
mes (het) – Messer
met – mit
metaal (het) – Metall
meteen – sofort
mevrouw – Frau
middelvinger – Mittelfinger
mij/me – mich/mir
milieu – Umwelt
minuut – (die) Minute (die Minuten)
mislukken – scheitern
misschien – vielleicht
mixer – Mixer
moeder – Mutter
moeilijk – schwer
moeten – müssen
moeten (niet: zullen) – sollen
mogen (niet: durven) – dürfen
mok – Becher
mooi – schön
mooi vinden – schön finden
morgen – Morgen
morgenavond – morgen abend
morgenmiddag – morgen mittag
morgenochtend – morgen früh
motor – Motor
muziek – Musik
naam – Name
naar – nach
naar / na(dien) – nach(dem)
naast – neben
nadat – nachdem
nagel – Nagel (Finger)
nagellak – Nagellack
najaar (het) / de herfst – Herbst
nakijken – nachsehen
namelijk – nämlich
nat – nass
natuurlijk – natürlich
nauw (niet: eng) – eng
Nederland – Die Niederlande
Nederlands – Duits
Nederlands (het) – Niederländisch
nee – nein
neef – Neffe / Vetter
negen – neun
negenentwintig – neunundzwanzig
negentien – neunzehn
negentig – neunzig
nek – Nacken
nemen – nehmen (nahm, genommen)
net – genau
netnummer (het) – Vorwahl
neus – Nase
nicht – Cousine / Nichte
niet – nicht
niet hoeven – nicht brauchen
niets – nichts
nieuw – neu
nieuws (het) – Nachrichten
noch – weder
nodig hebben – bedürfen
nodig hebben (niet: gebruiken) – brauchen
nodig hebben – brauchen
nodig, vereist – erforderlich
noemen – erwähnen
nog een keer – noch einmal
nooit – nie
nooit – nie(mals)
noorden (het) – Norden
normaal – normal
november – November
nu – derzeit
nu – Jetzt
nu – nun
nu / tegenwoordig, – Heutzutage
nu/nou – jetzt
nul – null
nuttig – nützlich
oefenen – üben
oefening – übung
of – oder
oké – ok
oktober – Oktober
olie – Öl
oliebol – Krapfen
olijfolie – Olivenöl
om – um/ herum
om / rond / rondom – um
oma – Oma
omdat – weil
onder – unter
ondergoed (het) – Unterwäsche
onderscheiden – unterscheiden
Ondertussen – Inzwischen
Ondertussen – Mittlerweile
onderwijzen – unterrichten
onderzetter – Untersetzer
onderzoek – Forschung
onderzoekers – Forscher
ondiep – flach
ongeval – Unfall
ongeveer – ungefähr
ongezond – ungesund
ons /onze – unser
ontbijt (het) – Früstück
ontbijten – frühstücken
ontbreken / missen – fehlen
ontbreken / missen – mangeln
Ontkrachting – Entkräftung
ontmoeten – treffen
ontslaan – kündigen
onverschillig(heid) – Gleichgültig(keit)
oog (het) – Auge
ooit – jemals
ook – auch
oom – Onkel
oor (het) – Ohr
oorbel – Ohrring
oord / plek – Ort
oordeel – Urteil
Oorzaken – Ursachen
oosten (het) – Osten
op – auf
op bezoek gaan – auf Besuch gehen
opa – Opa
open – offen
openen – öffnen
openen (niet: afsluiten) – aufschließen
openhaard – Kamin
opgroeien – aufwachsen
opleiding – Ausbildung
oplossing – Lösung
opnieuw – Weiterführung
oppas – baby-sitter
opstaan – aufstehen
opsturen – zuschicken
opvoeding – Erziehung
oranje – orange
oud – alt
oudejaarsavond – Sylvesterabend
oud-en-nieuw – Sylvester
ouders – Eltern
ovaal – oval
oven – Ofen
over – über
over een week – in einer Woche
overbelast – überfordert
overdag – tagsüber
overeenkomen met – entsprechen
overheid / de autoriteiten – Behörde
overhemd (het)/*shirt (het) – Oberhemd
overigens – übrigens
overmorgen – übermorgen
oversteken – überqueren
paard (het) – Pferd
paardrijden – reiten
paars – lila
pagina / kant – Seite
pak (het) – Anzug
pan – Pfanne
pannenkoek – Pfannkuchen
panty – Strumpfhose
paperclip – Büroklammer
papier (het) – Papier
parkeerplaats – Parkplatz
parkeren – parken
pas – gerade
pas (niet: eerst) – erst
Pas op!/Kijk uit! – Pass auf!
paspoort (het) – Pass
pech – Pech
peer – Birne
pen – Stift
peper – Pfeffer
per slot van rekening – schließlich
perforator – Locher
perron (het) – Bahnsteig
persoon – Person
pet – Mütze
pijn – Schmerz
pindakaas – Erdnussbutter
pink – kleiner Finger
pinnen – ec-Karte benutzen
pion – Stein
plaatje (het) – Bild
placemat – Platzdeckchen
plant – Pflanze
plattegrond – Karte/Stadtplan
poetsen – putzen
poffertjes – kleine Pfannkuchen
politie – Polizei
pols – Handgelenk
postcode – Postleitzahl
postkantoor (het) – Postamt
postzegel – Briefmarke
potlood (het) – Bleistift
praktisch – praktisch
praten – sprechen (sprach, gesprochen)
precies – genau
prei – Porree
prestatie – Leistung
presteren – leisten
prima – prima
proberen – probieren
proberen (niet: verzoeken) – versuchen
probleem (het) – Problem
proeven – kosten (probieren)
programma (het) – Programm
proost – Prost
publiceren – veröffentlichen
pyjama – Schlafanzug
raam (het) – Fenster
rabarber – Rabarber
raden – raten
radio – Radio
rapport (het) – Bericht/Schulzeugnis/*Rapport
recent – letztlich
recht pas echt – erst
recht – Recht / gerade
rechtdoor – gradeaus
rechthoek – Rechteck
rechts – rechts
reclame – Reklame
reclame – Werbung
Reden – Grund
regel – Zeile
regen – Regen
regenen – regnen
reizen – reisen
rekenen – rechnen
rekening – Rechnung / Konto
Relativering – Relativierung
remmen – bremsen
rennen – rennen
reserveren – reservieren
restaurant (het) – Restaurant
resultaat – Bilanz
resultaat – Ergebnis
resultaat – Fazit
riem – Gürtel
rij – Reihe
rijbewijs (het) – Führerschein
rijden – fahren
rijden / varen – fahren
rijst – Reis
ring – Ring
ringvinger – Ringfinger
rits – Reißverschluss
rivier – Fluss
roepen – rufen
rok – Rock
roken – rauchen
rond – rund
rondvraag – Umfrage
rood – rot
rotonde – Verkehrskreis
roze – rosa
rug – Rücken
rugzak – Rucksack
ruiken – riechen
’s avonds – abends
’s middags – mittags
’s morgens – morgens
’s nachts – nachts
saai – langweilig
salade – Salat
samen – zusammen
Samenvatting – Zusammenfassung
schaar – Schere
scheiden – trennen
scheuren – reißen
schijnen – scheinen
schilderij (het) – Bild/Gemälde
schoen – Schuh
school – Schule
schoon – sauber
schoonfamilie – Schwiegerfamilie
schoonmaken – sauber machen
schoonmoeder – schwiegermutter
schoonvader – Schwiegervater
schoonzus – Schwägerin
schoorsteen – Schornstein
schouder – Schulter
schreeuwen – schreien
schrijven – schreiben
schudden – to schütteln
schuur – Scheune
seconde – (die) Sekunde (die Sekunden)
secretaresse – Sekretärin
september – September
serieus (nemen) – ernst
servet (het) – Serviette
shirt (het)/*overhemd (het) – Shirt
sigaret – Zigarette
sinaasappel – Orange
sinds – seit
sinds(dien) – seit(dem)
slaan – schlagen
slaapkamer – Schlafzimmer
slachtoffer – Opfer
slagroom – Schlagsahne
slapen – schlafen
slecht – schlecht
slechts / alleen (maar) – nur
sneeuw – Schnee
sneeuwen – schneien
snel – schnell
snelheid – Schnelligkeit
snelweg – Autobahn
snijden – schneiden
snor – Schnurrbart
snurken – schnarchen
soep – Suppe
sok – Strumpf
solliciteren – bewerben
solliciteren – sich
sommige – manche
soms – manchmal
sorry – entschuldigung
spa blauw – stilles Wasser
spa groen – Zitronensprudel
spa marie – Mineralwasser mit *wenig Kohlensäure
spa rood – Mineralwasser (mit Gas)
spannend – spannend
sparen – sparen
speelgoed (het) – Spielzeug
spelen – spielen
spellen – buchstabieren
spiegel – Spiegel
spier – Muskel
spierpijn – Muskelkater
spijker – Nagel
spijkerbroek – Jeans
splitsing – Spaltung
spoedig – bald
spookrijder – Geisterfahrer
spoorboom – Schranke
sporten – Sport treiben
spreken – sprechen
spreken – reden
springen – springen
staan – stehen
station (het) – Bahnhof
steeds / de hele tijd – ständig
Steigerung – Versterking
stekker – Stecker
stelen – stehlen
stelling – Annahme
ster – Stern
sterkte – Stärke
stimuleren – fördern
stoel – Stuhl
stoep / het trottoir – Bürgersteig
stofzuiger – Staubsauger
stopcontact (het) – Steckdose
stoppen – stoppen
storm – Sturm
stout – ungezogen
straat – Straße
straks – nachher
strand (het) – Strand
strekking – Negatieve
strijd – Kampf
stripboek (het) – Comic
strippenkaart – Fahrschein
stroop – Sirup
stropdas – Krawatte
sturen – steuern
succesvol – Erfolg
suiker – Zucker
suikerklontje (het) – Zuckerstück
taal – Sprache
taart – Torte
tachtig – achtzig
tafel – Tisch
tamelijk, nogal – ziemlich
tand – Zahn
tandpasta – Zahnpasta
tante – Tante
tapijt (het) – Teppich
tas – Tasche
taxi – Taxi
te – zu
technisch – technisch
teen – Zeh
tegen – gegen
tegen / Bekend verondersteld – wider-
tegenovergestelde) – het
Tegenspraak – Widerspruch
tegenwoordig – heutzutage
Teken / aanwijzing – (An) Zeichen (=Hinweis)
tekenen – zeichnen
tekening – Zeichnung
telefoon – Telefon
telefoonkaart – Telefonkarte
telefoonnummer (het) – Telefonnummer
teleurgesteld – enttäuscht
televisie – Fernseher
tellen – zählen
temperatuur – Temperatur
ten eerste / tweede / derde – Erstens
tennissen – tennis spielen
terwijl – während
terwijl / tijdens – während
testen – testen
theedoek – Geschirrtuch
theelepeltje (het) – Teelöffel
theepot – Teekanne
tien – zehn
tijd – Zeit
tijm – Thymian
toch – doch
toegestaan – erlaubt
Toegeving – Einräumung
Toelichting – Erläuterung
toen – als
toen – wenn (in der Vergangenheit) / damals
toepassen – (an/ver)wenden
toerist – Tourist
Toespitsing – Zuspitzung
toestel / apparaat – Gerät
toetje (het) – Nachtisch
toetsenbord (het) – Tastatur
toilet (het)/de w.c. – Toilette
toilettas – Toilettasche
tomaat – Tomate
tosti – Toast mit Käse
tot (nu toe) – bis (her)
tot slot – schließlich
tot de volgende keer – bis zum nächsten mal
tot ziens – auf Wiedersehen
tot ziens – bis später
tot, te – zu
Totdat – Bis
trakteren (ik trakteer!) – spendieren
trap – Treppe
trein – Zug
trekken – ziehen
Triviaal – Verharmlosung
trouwen – heiraten
trui – Pullover
tuin – Garten
tunnel – Tunnel
tussen – zwischen
tussen de middag – mittags
twaalf – zwölf
twee – zwei
tweede – zweite
tweeduizend – zweitausend
tweeëntwintig – zweiundzwanzig
tweehonderdvierendertig – zweihundertvierunddreißig
twintig – zwanzig
typen – tippen *(auf der Schreibmaschine)
u – Sie ( förmliche Anrede)
uit – aus
uitsmijter – Rausschmeißer / stramme Max
uitspraak – Aussage
Uitwerking – Ergänzung
uitzicht (het) – Aussicht
uitzondering – Ausnahme
uur – (die) Stunde (die Stunden)
vaak – häufig
vaardigheid – Fähigkeit
vaat – dreckiges Geschirr
vaatwasser – Abwaschmaschine
vader – Vater
vak – Fach
vakantie – Ferien
vakantie – Urlaub
van – von
vanavond – heute abend
vandaag – heute
vandaar – daher
vangen – fangen
vanmiddag – heute mittag
vanmorgen – heute morgen
varen – segeln
veel – viele
veel – viel
veertien – vierzehn
veertig – vierzig
vegetarisch – vegetarisch
vensterbank – Fensterbank
veranderen – sich
verbazen – erstaunen
verboden – verboten
verdrietig – traurig
verdwijnen – verschwinden
vergadering – Sitzung
vergelijkbaar – ähnlich
vergiet (het) – Durchschlag
Vergleichen – Vergelijken
verhaal (het) – Geschichte
verhouding – Beziehung /
verjaardag – Geburtstag
verkeer (het) – Verkehr
verkeerd – verkehrt
verkeerslicht (het) – Ampel
Verklaring – Erklärung
verkopen – verkaufen
verleden (het) – Vergangenheit
verliefd zijn – verliebt sein
verlies – Verlust
verliezen – verlieren
verondersteld (vervolg) – Bekend
verontwaardigheid (verontwaardigd) – Empörung
veroorzaken – auslösen
verrassen – überraschung
vers – frisch
Verscherping – Verschärfung
verschillend – unterschiedlich
verstaan / begrijpen – verstehen
Versterking – Steigerung
vertellen – erzählen
vertraging – Verspätung
vervangen – ersetzen
vervelend – langweilig / ärgerlich
verven – malen
verwarming – Heizung
verwijderen – (er) löschen
verwijderen – entfernen
verzekering – Versicherung
vet – fett
vier – vier
vierentwintig – vierundzwanzig
vierkant (het) – Viereck
vies – schmutzig / widerlich
vijf – fünf
vijfentwintig – fünfundzwanig
vijftien – fünfzehn
vijftig – fünfzig
vind – Hieronder
vinden – finden (fand, gefunden)
vinger – Finger
vlag – Flagge
vlees (het) – Fleisch
vliegen – fliegen
vliegtuig (het) – Flugzeug
vloer – Fußboden
vloerkleed (het) – Teppich
voet – Fuß
voetbal (het) – Fußball
voetballen – Fußball spielen
voetpad (het) – Bürgersteig
vogel – Vogel
vol – voll
voldoen (niet: uitreiken) – (aus)reichen
volgende – nächste
volgende week – nächste Woche
volgens – laut
volkomen / geheel en al – durchaus
volwassene – Erwachsene
voor – für
voor elkaar krijgen / lukken – schaffen
voor de rest / anders – sonst
voor – vor / für
Voor(dat) –
voor(heen) – vor(her)
vooral omdat – zumal
Voorbeeld geven – Illustrieren
Voorbeelden – Beispiele
Voorbehoud – Vorbehalt
voorhoofd (het) – Stirn
voorkomen – vorbeugen
vooroordeel – Vorurteil
voorrang – Vorrang
voortkomen uit – hervorgehen
Voortzetting – Weiterführung
vorige week – letzte Woche
vork – Gabel
vormen / maken – bilden
vorming / ontwikkeling – Bildung
vorst – Frost
vraag – Frage
vrachtwagen – LKW
vragen – fragen
vreemd – fremd
vrezen – befürchten
vriend – Freund
vriendin – Freundin
vriezen – frieren
vrijdag – Freitag
vrije dag – freier Tag
vroeg – früh
Vroeger – Damals
Vroeger / in het verleden – Früher
vrouw – Frau
vuilnisbak – Mülleimer
vullen – füllen
vuur (het) – Feuer
w.c. / het toilet – Toilette
waaien – wehen
waar – wahr / wo
waar? – wo?
waarheen? – wohin?
waarom – warum
waarschuwen voor / afraden – warnen vor
waarvandaan? – woher?
wachten – warten (wartete, gewartet)
wachten op – warten auf
wandelen – spazieren
wang – Wange
wanneer – wenn
wanneer? – wann?
want (niet: dan) – denn
want/omdat – denn/weil
warm – warm
was – Wäsche / war
wassen – waschen
wat – was
wat(?) – was? / etwas
water (het) – Wasser
we/wij – wir
wedstrijd / concurrentie – Wettbewerb
week – (die) Woche (die Wochen)
weer (het) – Wetter
weer / het weer – wieder / Wetter
Weerlegging – Widerlegung
weg – weg
weinig – wenige
weinig – wenig
welk(e) – welche
welke – welches
welkom – Willkommen
wellicht / misschien – vielleicht
wenkbrauw – Augenbraue
wereld – Welt
werken – arbeiten (arbeitete, gearbeitet)
werkwoord (het) – Verb
westen (het) – Westen
wet – Gesetz
weten – wissen (wusste, gewusst)
wetenschap – Wissenschaft
wetenschappers – Wissenschaftler
wie – wer
wie? – wer?
wiel (het) – Rad/Reifen
wij/we – wir
wijn – Wein
wijsvinger – Zeigefinger
wijzen naar/op – zeigen auf
willen – wollen
wind – Wind
winkel – Geschäft/Laden
winkelen – shoppen
winnen – gewinnen
winter – Winter
wit – weiß
woensdag – Mittwoch
wol – Wolle
wolk – Wolke
wonderbaarlijk – verwunderlich
wonen – wohnen
woonkamer – Wohnzimmer
woord (het) – Wort
worden – werden
yoghurt – Yogurt
zacht – weich/sanft
zaken / winkel – Geschäft
zanger – Sänger
zaterdag – Samstag
zee – Meer
zeggen – sagen
zeker / beslist – unbedingt
zelden – selten
zelfs – selbst / sogar
zenuwachtig / nerveus – aufgeriegt
zes – sechs
zesentwintig – sechsundzwanzig
zestien – sechzehn
zestig – sechzig
zetten – legen (legte, gelegt)
zeven – sieben
zevenentwintig – siebenundzwanzig
zeventien – siebzehn
zeventig – siebzig
zich verhouden – sich
zich vergissen – sich
zich gedragen – sich
zich bezighouden – sich
zich aankleden – sich anziehen
zich scheren – sich rasieren
zich voelen – sich fühlen
ziek – krank
ziek(te) – Krank(heit)
ziekenhuis (het) – Krankenhaus
zien – sehen
zij – sie
zij/ze – sie
zijn (verb) – sein
zijn/z’n – sein
zin – Satz
zingen – singen
zitten – sitzen
zo – wie
zo (net / precies) – so
zo / bijvoorbeeld – so
zodat – damit
zodra – sobald
zoeken – suchen
zoet – süß
zogenaamd – angeblich
zolder – Dachboden
zomer – Sommer
zon – Sonne
zondag – Sonntag
zonder – ohne
zoon – Sohn
zou zijn – wäre
zout – Salz
zuiden(het) – Süden
zulke – solche
zus – Schwester
zuster – Schwester / Krankenschwester
zwaar – schwer
zwaar, moeilijk – schwer
zwager – Schwager
zwanger – schwanger
zwar…doch / weliswaar – zwar aber
zwart – schwarz
zwembad (het) – Schwimmbad


Belangrijkste woorden in het Duits (van Duits naar Nederlands)

(An) Zeichen (=Hinweis) – Teken / aanwijzing
(an/ver) wenden – toepassen
(aus) reichen – voldoen (niet: uitreiken)
(be) drohen / Drohung – dreiging (be)dreigen
(das) Jahr (die Jahre) – jaar
(der) Abend (die Abende) – avond
(der) Monat (die Monate) – maand
(der) Tag (die Tage) – dag
(die) Minute (die Minuten) – minuut
(die) Sekunde (die Sekunden) – seconde
(die) Stunde (die Stunden) – uur
(die) Woche (die Wochen) – week
(er) löschen – verwijderen
(Stadt)graben – gracht
Abendessen – avondeten (het)
abends – ’s avonds
aber / nur – maar
ablehnen – afkeuren
Absatz – alinea
Abschwächung – Afzwakking
Absprache/Verabredung – afspraak
Abstrahierung – Abstract
abwaschen – afwassen
Abwaschmaschine – vaatwasser
acht – 8
acht – acht
achtundzwanzig – achtentwintig
achtzehn – 18
achtzehn – achttien
achtzig – tachtig
Adresse – adres (het)
ähneln – lijken op
ähnlich – vergelijkbaar
alle – alle
alle – allemaal
alleine – alleen allerdings – echter
alles – alles
als – toen
also – dus
alt – oud
Alter – leeftijd
Ampel – verkeerslicht (het)
an – aan
an der Reihe sein – aan de beurt zijn
andere – ander
anders – anders
Anfangs – Aanvankelijk
angeblich – zogenaamd
Annahme – stelling
Anrufbeantworter – antwoordapparaat (het)
anrufen – (op)bellen
Antwort – antwoord (het)
Anzug – pak (het)
Apfel – appel
Apfelsaft – appelsap
April – april
arbeiten (arbeitete, gearbeitet) – werken
Ärger – ergernis
Armband – armband
Art – aard / soort
Artikel – artikel (het)
Arzt – dokter
auch – ook
auf – op
auf Besuch gehen – op bezoek gaan
auf Wiedersehen – tot ziens
aufgeriegt – zenuwachtig / nerveus
aufschließen / aufgeschlossen – openen (niet: afsluiten)
aufstehen – opstaan
aufwachsen – opgroeien
Auge – oog (het)
Augenbraue – wenkbrauw
August – augustus
aus – uit
Ausbildung – opleiding
Ausfahrt – afrit
auslösen – veroorzaken
Ausnahme – uitzondering
Aussage – uitspraak
außer – behalve
Aussicht – uitzicht (het)
Auto – auto
Autobahn – snelweg
baby-sitter – oppas
backen – bakken
Bad – bad (het)
Badezimmer – badkamer
Bahnhof – station (het)
Bahnsteig – perron (het)
bald – spoedig
Banane – banaan
Band – band
Bank – bank
Bart – baard
Bauch – buik
bauen – bouwen
Baum – boom
Baumwolle – katoen (het)
Becher – mok
bedeuten – betekenen
bedürfen – nodig hebben
befürchten – vrezen
Begeisterung – enthousiasme / enthousiast
Begründung – Beredenering
behaupten – beweren
Behauptung – bewering
Behörde – overheid / de autoriteiten
bei – bij
Beileid – gecondoleerd
Beispiele – Voorbeelden
beißen – bijten
Bekend – verondersteld (vervolg)
bekommen – krijgen (niet: bekomen)
Belag – beleg (het)
belegen – aantonen / bewijzen
bereits – al / reeds
Bericht/Schulzeugnis/*Rapport – rapport (het)
Bestätigung – Bevestiging
Beste – beste (het)
Besteck – bestek (het)
Besuch – bezoek (het)
beteiligt – betrokken
Beweis – Bewijs
bewerben – solliciteren
bezahlen – betalen
bezeichnen – betekenen
Beziehung / Verhältnis – verhouding
Bibliothek – bibliotheek (bieb)
Bier – bier (het)
Bilanz – resultaat
Bild – plaatje (het)
Bild / Gemälde – schilderij (het)
bilden – vormen / maken
Bildung – vorming / ontwikkeling
billig / günstig – goedkoop
Birne – peer
Bis – Totdat
bis (her) (=bislang) – tot (nu toe)
bis später – tot ziens
bis zum nächsten mal – tot de volgende keer
bißchen – beetje (het)
bitte – alsjeblieft
bitte – alstublieft
bitte – graag
Blatt – blad (het)
blau – blauw
bleiben – blijven
Bleistift – potlood (het)
Blume / Mehl – bloem
Bluse – blouse
Bohnen – bonen
Boot – boot
böse – boos
Boss – baas
brauchen – nodig hebben (niet: gebruiken)
brauchen – nodig hebben
braun – bruin
brechen – breken
bremsen – remmen
brennen – branden
Brief – brief
Briefkasten – brievenbus
Briefmarke – postzegel
Brille – bril
Brot – brood (het)
Brücke – brug
Bruder – broer
bruiner Zucker (fein) – basterdsuiker
Buch – boek (het)
Bücherregal – boekenkast
buchstabieren – spellen
Bundesland – deelstaat (16 in Duitsland)
Bürgersteig – stoep / het trottoir
Bürgersteig – voetpad (het)
Büroklammer – paperclip
Bürste – borstel
Bus – bus
Bushaltestelle – bushalte
Butter – boter
Café – café (het)
Chips – chips
Comic – stripboek (het)
Computer – computer
Cousine / Nichte – nicht
da / dort – daar
Dach – dak (het)
Dachboden – zolder
dagegen / hingegen – daarentegen
daher – vandaar
damals – destijds
Damals – Vroeger
Damen – dames
damit – zodat
danke – dank u (wel)
danke – dankjewel
dann – dan
das – dat
das – het
das selbe – hetzelfde
das sind – dit zijn…
das sind …. – dat zijn…
Daten – data / gegevens
dauerhaft – duurzaam
Daumen – duim
dazu – daartoe / daarvoor
dein*Ihne – jouw/je*uw
demnach – dus / daarom
denken (dachte, gedacht) – denken
denn – want (niet: dan)
denn/weil – want/omdat
dennoch – desalniettemin
der/die/das – de / het
deren – hun / van hen
derzeit – nu
deshalb – derhalve / daarom
deswegen – daarom / vandaar
Dezember – december
dick – dik
Die Niederlande – Nederland
Dienstag – dinsdag
diese(r/s) – deze
dieses – dit
Ding – ding (het)
doch – toch
Donnerstag – donderdag
dort – daar
Dose – doos
Dosenöffner – blikopener
draußen – buiten
dreckiges Geschirr – vaat
drehen – draaien
drei – 3
Dreieck – driehoek
dreißig – dertig
dreiundzwanzig – drieëntwintig
dreizehn – 13
dritte – derde
du – je/jij
du / Sie – jij / je / u
Duits – Nederlands
Dünen – duinen
dunkel – donker
dünn – dun
dünn – mager
durch – door
durchaus – volkomen / geheel en al
Durchschlag – vergiet (het)
dürfen – mogen (niet: durven)
Durst – dorst
Dutzend – dozijn (het)
eben – even
ebenfalls – eveneens / ook
echt / wirklich – echt
ec-Karte benutzen – pinnen
Ecke – hoek
Ei – ei (het)
eigene(r/s) – eigen
eigentlich – eigenlijk
Eigentümer – eigenaar
Eimer – emmer
ein – een / 1
einander – elkaar
eine Nachricht *hinterlassen – een berichtje *achterlaten
einen Moment *bitte – een momentje a.u.b.
einerseits / andererseits – enerzijds / anderzijds
einfach – makkelijk
Einkäufe machen – boodschappen doen
Einleitung – Inleiding
einpacken – inpakken
Einräumung – Toegeving
eins – 1
einsam – eenzaam
einschenken – inschenken
Einschränkung – Beperking
einundzwanzig – eenentwintig
Einzahl – enkelvoud (het)
Eis – ijs (het)
Eisen – ijzer (het)
elektrisch – elektrisch
elf – 11
Ellenbogen – elleboog
Eltern – ouders
empfehlen – aanbevelen
Empörung (empört) – verontwaardigheid (verontwaardigd)
eng – nauw (niet: eng)
Enkel – enkel
Enkel – kleinkind (het)
Enkel – kleinzoon
Enkelin – kleindochter
entfernen – verwijderen
Entkräftung – Ontkrachting
entscheiden – beslissen
Entscheidung – beslissing
Entschuldigen Sie – excuseer mij
entschuldigung – sorry
entsprechen – overeenkomen met
enttäuscht – teleurgesteld
er – hij
Erdnussbutter – pindakaas
Erfolg – succesvol
erforderlich – nodig, vereist
Ergänzung – Uitwerking
Ergebnis – resultaat
erhalten – bevatten
Erklärung – Verklaring
erlaubt – toegestaan
Erläuterung – Toelichting
ernst (nehmen) – serieus (nemen)
ersetzen – vervangen
erst – pas (niet: eerst)
erst – recht pas echt
erstaunen – verbazen
erste – eerste
Erste Hilfe – EHBO
Erstens / Zweitens / Drittens – ten eerste / tweede / derde
Erwachsene – volwassene
erwähnen – noemen
erzählen – vertellen
Erziehung – opvoeding
es – het
Es tut mir leid – het spijt me
essen – eten
etwa – bijvoorbeeld
etwas – iets
eure – jullie / je
Fach (mv: Fächer) – vak
Fähigkeit – vaardigheid
Fahrad fahren – fietsen
fahren – rijden
fahren – rijden / varen
Fahrrad – fiets
Fahrschein – strippenkaart
Fall (mv=Fälle) – geval
falsch – fout
fangen – vangen
Farbe – kleur
fast – bijna (niet: vast)
faul – lui
Fax – fax
faxen – faxen
Fazit – resultaat
Februar – februari
fehlen – ontbreken / missen
Fehler – fout
Fehlerquote – foutmarge
fein – fijn/leuk
Fenster – raam (het)
Fensterbank – vensterbank
Ferien – vakantie
Fernseher – televisie
fett – vet
Feuer – vuur (het)
Film – film
finden (fand, gefunden) – vinden
Finger – vinger
flach – ondiep
Flagge – vlag
Flasche – fles
Fleisch – vlees (het)
fliegen – vliegen
Flugzeug – vliegtuig (het)
Fluss – rivier
flüstern – fluisteren
Folge / Schlussfolgerung – Gevolg / conclusie
fordern – eisen
fördern – stimuleren
Forscher – onderzoekers
Forschung – onderzoek
Frage – vraag
fragen – vragen
Frau – mevrouw
Frau – vrouw
freier Tag – vrije dag
Freitag – vrijdag
fremd – vreemd
Freund – vriend
Freundin – vriendin
frieren – vriezen
frisch – vers
frisch / kalt – fris
Frisör – kapper
froh – blij
Frost – vorst
Frucht – fruit (het)
Fruchtschale – fruitschaal
früh – vroeg
Früher – Vroeger / in het verleden
Frühling – lente / het voorjaar
frühstücken – ontbijten
Früstück – ontbijt (het)
führen – leiden / voeren
Führerschein – rijbewijs (het)
füllen – vullen
fünf – 5
fünfundzwanig – vijfentwintig
fünfzehn – 15
fünfzehn – vijftien
fünfzig – vijftig
für – voor
Fuß – voet
Fußball – voetbal (het)
Fußball spielen – voetballen
Fußboden – vloer
Gabel – vork
gähnen – gapen
Gang – gang
ganz – gans / helemaal
ganz / heil – heel
gar – al helemaal
Garage – garage
Gardine – gordijn (het)
Garten – tuin
Gast – gast
geben (gab, gegeben) – geven
gebrauchen (=benutzen) – gebruiken
Geburtstag – verjaardag
Gedächtnis – geheugen
gegen – tegen
Gehacktes – gehakt (het)
gehen zu – gaan naar
gehören – horen bij
Geisterfahrer – spookrijder
gelb – geel
Geld – geld (het)
gelingen – lukken
Gemüse – groente
genau – net
genau – precies
genoemd – feit
gerade – juist / precies
gerade – pas
geraspelter Käse – geraspte kaas
Gerät – toestel / apparaat
Geräusch – geluid (het)
Geschäft – zaken / winkel
Geschäft / Laden – winkel
Geschenk – cadeau (het)
Geschichte – geschiedenis / verhaal
Geschichte – verhaal (het)
Geschirrtuch – theedoek
geschlossen – dicht/gesloten
geschlossen – gesloten
gesellich – gezellig
Gesellschaft – maatschappij
Gesetz – wet
Gesicht – gezicht (het)
gestern – gisteren
gestorben – gestorven / overleden
gesund – gezond
gevolgen – beperkt
Gewalt – geweld
gewinnen – winnen
Glas – glas (het)
glauben – geloven
Gleichgültig(keit) – onverschillig(heid)
Glück – geluk
glücklich – gelukkig
Glückwunsch – gefeliciteerd
golfen – golfen
Grad – graden
gradeaus – rechtdoor
Gras – gras (het)
grau – grijs
Grippe – griep
groß – groot
Großvater – grootvader
grün – groen
Grund – Reden
Grüße – groetjes
gucken nach – kijken naar
Gummibändschen – elastiek (het)
Gurke – komkommer
Gürtel – riem
gut – goed
Gute Besserung – beterschap
Guten Morgen – goedemorgen
Haar – haar (het)
haben – hebben
Hagel – hagel
hageln – hagelen
Hahn / Kran – kraan
halb – half
Hälfte – helft
hallo – hallo
Haltestelle – halte
Hammer – hamer
Handgelenk – pols
Handtuch – handdoek
hängen – hangen
hart – hard
häßlich – lelijk
häufig – vaak
Haus – huis (het)
Hausaufgaben – huiswerk (het)
Hecke – heg
heiraten – trouwen
heiß – heet
heißen – heten (Ik heet Sylvia)
Heizung – verwarming
helfen (half, geholfen) – helpen
Herbst – najaar (het) / de herfst
Herr – meneer
Herren – heren
hervorgehen aus – voortkomen uit
Herz – hart
heuchlerisch – huichelachtig / hypocriet
heute – vandaag
heute abend – vanavond
heute mittag – vanmiddag
heute morgen – vanmorgen
Heutzutage – nu / tegenwoordig,
heutzutage – tegenwoordig
hier – hier
Hieronder – vind
Hilfe – hulp
hinter – achter
Hirn (=Gehirn) – hersenen
Hobby – hobby
Hochzeit – huwelijk (het)
hoffen – hopen
holen – halen
Holz – hout (het)
Honig – honing
hören – horen
Hose – broek
Hotel – hotel
Humorist – humorist
Hund – hond
hundert – honderd
Hunger – honger
Hut – hoed
ich – ik
Ich bin beschäftigt – ik heb het druk
Ich bin erkältet – ik ben verkouden
Ich denke dass… – ik denk dat…
Ich habe Geburtstag – ik ben jarig
ihr – haar
ihr – hun
ihr – jullie
Illustration – Illustratie
Illustrieren – Voorbeeld geven
immer – altijd
immerhin / ohnehin – in ieder geval / toch
in – in
in Frage stellen – In twijfel trekken
in einer Woche – over een week
Information – informatie
innen – binnen
inzwischen – intussen
Inzwischen – Ondertussen
ja – ja
Jacke – jas
Jahr – jaar (het)
Januar – januari
Jeans – spijkerbroek
jede – elk(e)
jedenfalls – in elk geval
jeder – iedereen
jeder / jede / jedes – elke
jedoch – echter
jedoch/aber – echter
jemals – ooit
jene – die
Jetzt – nu
jetzt – nu/nou
joggen – joggen
Jugend – jeugd
Juli – juli
jung – jong
Junge – jongen
Juni – juni
Kaffee – koffie
Kaffee/Tee machen – koffie/thee zetten
Kaffeesahne – koffiemelk*koffieroom
Kakao – chocolademelk
Kalb – kalf (het)
Kalender – kalender
kalt – koud
Kamin – openhaard
Kamm – kam
Kampf – strijd
Kanal – kanaal (het)
Kapitel – hoofdstuk (het)
kaputt – kapot
Karte/Stadtplan – plattegrond
Kartoffel – aardappel
Käse – kaas
Kasse – kassa
Katze – kat
kaufen – kopen
Kaugummi – kauwgom
kaum – amper, nauwelijks
Kehle – keel
kein – geen
Keks – koekje (het)
Keller – kelder
kennen – kennen
Kerze – kaars
Kerzenständer – kandelaar
Kette – ketting
Kilo – kilo
Kilometer – kilometer
Kind (Kinder) – kind (het) (de kinderen)
Kinn – kin
Kino – bioscoop
Kissen – kussen (het)
klar – duidelijk (niet: klaar)
Kleid – jurk
Kleider – kleren/kledung
Kleidung – kleding
klein – klein
kleine Pfannkuchen – poffertjes
kleiner Finger – pink
Kleingeld – kleingeld (het)
klettern – klimmen
Klingel – bel
klingen – klinken
knapp – bijna (niet: knap)
Knie – knie
Knoblauch – knoflook
Knopf – knoop
kochen – koken
kommen (kam, gekommen) – komen
konkretisieren – concreet maken
können – kunnen
Kopf – hoofd (het)
Korb – mand
Korken – kurk
Korkenzieher – kurkentrekker
Körper – lichaam
kosten – kosten
kosten (probieren) – proeven
Kraft – kracht
krank – ziek
Krank(heit) – ziek(te)
Krankenhaus – ziekenhuis (het)
Krapfen – oliebol
Kräuter – kruiden
Kräutertee – kruidenthee
Krawatte – das
Krawatte – stropdas
Kreis – cirkel
Kreuzung – kruising / het kruispunt
Küche – keuken
Kuchen – cake
Kuh – koe
Kühlschrank – koelkast
Kunde – klant
kündigen – ontslaan
künftig – in de toekomst
kurz – kort
küssen – kussen (ik kus)
lächeln – glimlachen
lachen – lachen
Lampe – lamp
Land – land (het)
lang – lang
langsam – langzaam
langweilig – saai
langweilig / ärgerlich – vervelend
Lärm – lawaai (het) / de herrie
Lärm – lawaai (het)/ de herrie
laufen – lopen
laut – volgens
Lautsprecher – luidspreker
leben – leven
lecker – lekker
leer – leeg
legen (legte, gelegt) – zetten
Lehrer – meester/leraar
Lehrerin – juf
leicht (=einfach) – licht, eenvoudig
leider – helaas
leihen – lenen
leisten – presteren
Leistung – prestatie
lernen / lehren – leren
lesen – lezen
letzte Woche – vorige week
letztlich – recent
Leute – mensen
Licht – licht (het)
lieben (liebte, geliebt) – houden van
Liebes – lief
Lied – lied (het)
lila – paars
Limonade – limonade
links – links
Lippe – lip
LKW – vrachtwagen
Locher – perforator
Löffel – lepel
Lösung – oplossing
Luft – lucht
Lüge – leugen
Macaroni / Nudeln – macaroni
machen – doen (niet: maken)
machen – maken
Mädchen – meisje (het)
Magen – maag
Mahlzeit – maaltijd
Mai – mei
malen – verven
manche – sommige
manchmal – soms
Mandarine – mandarijn
mangelhaft – gebrekkig
mangeln – ontbreken / missen
Mann – man
Markt – markt
Marmelade – jam
März – maart
Maßnahme – maatregel
Meer – zee
mehr – meer
Mehrzahl – meervoud (het)
meinen – bedoelen
Mensch – mens
Messer – mes (het)
Metall – metaal (het)
mich / mir – mij / me
mieten – huren
Milch – melk
Milchkaffee – koffie verkeerd
Mineralwasser (mit Gas) – spa rood
Mineralwasser mit *wenig Kohlensäure – spa marie
mit – met
mitnehmen – meenemen
Mittag essen – lunchen
mittags – ’s middags
mittags – tussen de middag
Mittelfinger – middelvinger
Mittlerweile – Ondertussen
Mittwoch – woensdag
Mixer – mixer
mögen (mochte, gemocht) – leuk vinden
Mond – maan
Montag – maandag
Moped – bromfiets/brommer
Morgen – morgen
morgen abend – morgenavond
morgen früh – morgenochtend
morgen mittag – morgenmiddag
morgens – ’s morgens
Motor – motor
Mülleimer – vuilnisbak
Musik – muziek
Muskel – spier
Muskelkater – spierpijn
müssen – moeten
Mutter – moeder
Mütze – pet
nach – naar
nach(dem) – naar / na(dien)
Nachbar – buurman
Nachbarin – buurvrouw
Nachbarn – buren
Nachbarschaft – buurt
nachdem – nadat
nachher – straks
Nachrichten – journaal (het)
nachsehen – nakijken
nächste – volgende
nächste Woche – volgende week
Nachtisch – toetje (het)
nachts – ’s nachts
Nacken – nek
Nagel – spijker
Nagel (Finger) – nagel
Nagellack – nagellak
Name – naam
nämlich – namelijk
Nase – neus
nass – nat
natürlich – natuurlijk
neben – naast
Neffe / Vetter – neef
Negatieve – strekking
nehmen (nahm, genommen) – nemen
nein – nee
Nelke – kruidnagel
nett – aardig (niet: netjes)
neu – nieuw
neun – 9
neunundzwanzig – negenentwintig
neunzehn – 19
neunzig – negentig
nicht – niet
nicht brauchen – niet hoeven
nichts – niets
nicken – knikken
nie – nooit
nie(mals) – nooit
Niederländisch – Nederlands (het)
noch einmal – nog een keer
Norden – noorden (het)
normal – gewoon
normal – normaal
November – november
null – nul
nun – nu
nur – alleen (maar) / slechts
nützlich – nuttig
oben – boven
Oberhemd – overhemd (het)/*shirt (het)
obwohl – hoewel
oder – of
Ofen – oven
offen – open
offenbar – blijkbaar (niet: openbaar)
öffnen – openen
ohne – zonder
Ohr – oor (het)
Ohrring – oorbel
ok – oké
Oktober – oktober
Öl – olie
Olivenöl – olijfolie
Oma – grootmoeder
Oma – oma
Onderzoek – doen / onderwijs, opvoeding
Onkel – oom
Opa – opa
Opfer – slachtoffer
orange – oranje
Orange – sinaasappel
Ort – oord / plek
Osten – oosten (het)
oval – ovaal
Papier – papier (het)
parken – parkeren
Parkplatz – parkeerplaats
Party – feest (het)
Pass – paspoort (het)
Pass auf! – Kijk uit!/Pas op!
Pass auf! – Pas op!/Kijk uit!
passieren – gebeuren
Pech – pech
Person – persoon
Pfanne – koekenpan
Pfanne – pan
Pfannkuchen – pannenkoek
Pfeffer – peper
Pferd – paard (het)
Pflanze – plant
Photo – foto
Platzdeckchen – placemat
Polizei – politie
Porree – prei
Postamt – postkantoor (het)
Postleitzahl – postcode
praktisch – praktisch
prima – prima
probieren – proberen
Problem – probleem (het)
Programm – programma (het)
Prost – proost
Pullover – trui
putzen – poetsen
Qualität – kwaliteit
Rabarber – rabarber
Rad/Reifen – wiel (het)
Radiergummi – gum
Radio – radio
Radweg – fietspad (het)
raten – raden
rauchen – roken
Rausschmeißer/stramme Max – uitsmijter
rechnen – rekenen
Rechnung / Konto – rekening
Recht / gerade – recht
Rechteck – rechthoek
rechts – rechts
reden – spreken
Regen – regen
Regenschauer – bui
regnen – regenen
Reihe – rij
Reis – rijst
reisen – reizen
reißen – scheuren
Reißverschluss – rits
reiten – paardrijden
Reklame – reclame
Relativierung – Relativering
rennen – rennen
reservieren – reserveren
Restaurant – restaurant (het)
richtig – correct
richtig – juist
riechen – ruiken
Ring – ring
Ringfinger – ringvinger
Rock – rok
rosa – roze
rot – rood
Rücken – rug
Rucksack – rugzak
rufen – roepen
rund – rond
sagen – zeggen
Salat – salade
Salz – zout
Samstag – zaterdag
Sänger – zanger
Satz – zin
sauber – schoon
sauber machen – schoonmaken
schade – jammer
schaffen – voor elkaar krijgen / lukken
scheinen – schijnen
scheitern – mislukken
Schere – schaar
Scheune – schuur
Schinken – ham
Schlafanzug – pyjama
schlafen – slapen
Schlafzimmer – slaapkamer
schlagen – slaan
Schlagsahne – slagroom
schlecht – slecht
schlecht gelaund – chagrijnig
schliessen aus – concluderen uit
schließlich – per slot van rekening
schließlich – tot slot
schlimm – erg (niet: slim)
Schlussfolgerung – Conclusie
Schmerz – pijn
schmutzig/widerlich – vies
schnarchen – snurken
Schnee – sneeuw
schneiden – snijden
schneiden mit Schere – knippen
schneien – sneeuwen
schnell – snel
Schnelligkeit – snelheid
Schnurrbart – snor
Schokolade – chocola
Schokoladenstreusel – hagelslag
schon – al
schon – al / reeds
schön – leuk
schön – mooi
schön finden – mooi vinden
Schornstein – schoorsteen
Schrank – kast
Schranke – spoorboom
schreiben – schrijven
Schreibtisch – bureau (het)
schreien – schreeuwen
Schublade – la
Schuh – schoen
Schule – school
Schulter – schouder
schützen – beschermen
Schwager – zwager
Schwägerin – schoonzus
schwanger – zwanger
schwarz – zwart
schwer – moeilijk
schwer – zwaar
schwer (=schwierig) – zwaar, moeilijk
Schwester – zus
Schwester / Krankenschwester – zuster
Schwiegerfamilie – schoonfamilie
schwiegermutter – schoonmoeder
Schwiegervater – schoonvader
Schwimmbad – zwembad (het)
sechs – 6
sechsundzwanzig – 26
sechzehn – 16
sechzig – 60
See – meer (het)
segeln – varen
sehen – zien
sein – zijn (verb)
sein – zijn/z’n
seit – sinds
seit(dem) – sinds(dien)
Seite – pagina / kant
Sekretärin – secretaresse
selbst / sogar – zelfs
selten – zelden
September – september
Serviette – servet (het)
Shirt – shirt (het)/*overhemd (het)
shoppen – winkelen
Shorts – korte broek
sich freuen – blij zijn
sich bewerben – solliciteren
sich ändern – veranderen
sich beziehen (=sich verhalten) – zich verhouden
sich irren – zich vergissen
sich benehmen – zich gedragen
sich beschäftigen – zich bezighouden
sich anziehen – zich aankleden
sich fühlen – zich voelen
sich rasieren – zich scheren
sie – zij
sie – zij/ze
Sie ( förmliche Anrede) – u
sieben – 7
siebenundzwanzig – 27
siebzehn – 17
siebzig – 70
singen – zingen
Sirup – stroop
sitzen – zitten
Sitzung – vergadering
so – dus / daarom
so (eben / genau) – zo (net / precies)
so – zo / bijvoorbeeld
sobald – zodra
sofort – meteen
Sohn – zoon
solche – zulke
sollen – moeten (niet: zullen)
Sommer – zomer
Sonne – zon
Sonntag – zondag
sonst – voor de rest / anders
sowie – evenals / alsook
Spaltung – splitsing
spannend – spannend
sparen – sparen
spät(er) – laat (later)
Später – Later
spazieren – wandelen
Speisekarte – menukaart
spendieren – trakteren (ik trakteer!)
Spiegel – spiegel
spielen – spelen
Spielzeug – speelgoed (het)
Sport treiben – sporten
Sprache – taal
sprechen – spreken
sprechen (sprach, gesprochen) – praten
springen – springen
ständig – steeds / de hele tijd
Stärke – sterkte
statt – in plaats van
stattdessen – in plaats daarvan
Stau – file
Staubsauger – stofzuiger
Steckdose – stopcontact (het)
Stecker – stekker
stehen – staan
stehlen – stelen
Steigerung – Versterking
Stein – pion
Stern – ster
steuern – sturen
Stiefel – laars
Stift – pen
stilles Wasser – spa blauw
Stirn – voorhoofd (het)
stoppen – stoppen
Strand – strand (het)
Straße – straat
Strumpf – kous / sok
Strumpfhose – panty
Stuhl – stoel
Sturm – storm
suchen – zoeken
Süden – zuiden(het)
Suppe – soep
süß – zoet
Sylvester – oud-en-nieuw
Sylvesterabend – oudejaarsavond
tagsüber – overdag
Tante – tante
tanzen – dansen
Tasche – tas
Tasse – kopje (het)
Tastatur – toetsenbord (het)
tatsächlich / in der Tat – inderdaad
tausend – duizend
Taxi – taxi
technisch – technisch
Teekanne – theepot
Teelöffel – theelepeltje (het)
Tegenstelling – Gegensatz
Teil – deel
Telefon – telefoon
telefonieren (telefonierte, telefoniert) – bellen
Telefonkarte – telefoonkaart
Telefonnummer – telefoonnummer (het)
Teller – bord (het)
Temperatur – temperatuur
tennis spielen – tennissen
Teppich – vloerkleed (het)
testen – testen
teuer – duur
Thymian – tijm
Ticket/Karte – kaartje (het)
tief – diep
Tier – dier
tippen (auf der Schreibmaschine) – typen
Tisch – tafel
to schütteln – schudden
Toast mit Käse – tosti
Tochter – dochter
Toilettasche – toilettas
Toilette – toilet (het)/de w.c.
Tomate – tomaat
Torte – taart
tot – dood
Tourist – toerist
traurig – verdrietig
treffen – ontmoeten
trennen – scheiden
Treppe – trap
trinken – drinken
trocken – droog
trocknen – drogen
trotz(dem) – (des)ondanks
tschüss – doei
Tschüss / bis bald – doei / tot ziens
tun – doen
Tunnel – tunnel
Tür – deur
Türschwelle – drempel
üben – oefenen
über – over
überfordert – overbelast
übermorgen – overmorgen
übernachten – logeren
überqueren – oversteken
überraschung – verrassen
übrigens – overigens
übung – oefening
Uhr – horloge (het)
Uhr – klok
um – om / rond / rondom
um Geld spielen – gokken
um/ herum – om
Umfrage – rondvraag
Umwelt – milieu
unbedingt – zeker / beslist
und – en
Unfall – ongeval
ungefähr – ongeveer
ungesund – ongezond
ungezogen – stout
unser – ons /onze
unter – onder
unterrichten – onderwijzen
Unterrichtsstunde – les
unterscheiden – onderscheiden
unterschiedlich – verschillend
Unterschrift – handtekening
Untersetzer – onderzetter
Unterwäsche – ondergoed (het)
Urlaub – vakantie
Ursachen – Oorzaken
Urteil – oordeel
Vater – vader
vegetarisch – vegetarisch
Verallgemeinerung – Algemeen
Verb – werkwoord (het)
verboten – verboden
Verfasser(in) – auteur (m/v)
Vergangenheit – verleden (het)
Vergelijken – Vergleichen
Verharmlosung – Triviaal
verkaufen – verkopen
Verkehr – verkeer (het)
Verkehrskreis – rotonde
verkehrt – verkeerd
verletzen – kwetsen / overtreden
Verletzung – blessure / overtreding
verliebt sein – verliefd zijn
verlieren – verliezen
Verlust – verlies
veröffentlichen – publiceren
verrückt – gek
Verschärfung – Verscherping
verschwinden – verdwijnen
Versicherung – verzekering
Verspätung – vertraging
versprechen – beloven (niet: verspreken)
verständlich – begrijpelijk (niet: verstandig)
verstehen – begrijpen
verstehen – verstaan / begrijpen
Versterking – Steigerung
versuchen – proberen (niet: verzoeken)
verwunderlich – wonderbaarlijk
viel – veel
viele – veel
vielleicht – misschien
vielleicht – wellicht / misschien
vier – 4
Viereck – vierkant (het)
viertel – kwart
vierundzwanzig – vierentwintig
vierzehn – 14
vierzig – 40
Vogel – vogel
voll – vol
von – van
vor einer Woche – een week geleden
vor(her) – voor(heen)
vor / für – voor
Vorbehalt – Voorbehoud
vorbeugen – voorkomen
vorgestern – eergisteren
Vorrang – voorrang
Vorschule – kleuterschool
Vorurteil – vooroordeel
Vorwahl – netnummer (het)
wachsen – groeien
Wade – kuit
Wahl – keuze / verkiezingen
wählen – kiezen
wahr / wo – waar
während – terwijl
Wald – bos (het)
Wange – wang
wann? – wanneer?
wäre – zou zijn
warm – warm
warnen vor – waarschuwen voor / afraden
warten (wartete, gewartet) – wachten
warten auf – wachten op
warum – waarom
was?/etwas – wat(?)
Wäsche / war – was
waschen – wassen
Wasser – water (het)
weder – noch
weg – weg
wehen – waaien
weich/sanft – zacht
Weihnachten – kerst
weil – omdat
Wein – wijn
weinen – huilen
weiß – wit
Weiterführung – opnieuw
Weiterführung – Voortzetting
welche – welk(e)
welches – welke
Welt – wereld
wenig – weinig
wenige – weinig
wenn – als
wenn – als
wenn – wanneer
wenn (in der Vergangenheit) / damals – toen
wer – wie
wer? – wie?
Werbung – reclame
werden – worden
werfen – gooien
Westen – westen (het)
Wettbewerb – wedstrijd / concurrentie
Wetter – weer (het)
wichtig – belangrijk
wider- – tegen / Bekend verondersteld
Widerlegung – Weerlegging
Widerspruch – Tegenspraak
wie – hoe
wie – zo
wie spät? – hoe laat?
wie? – hoe?
wieder / Wetter – weer / het weer
wiederholen – herhalen
Wiedersehen – dag
Wieso? – hoezo?
Willkommen – welkom
Wind – wind
Windel – luier
Winter – winter
wir – we/wij
wir – wij/we
Wirtschaft – economie
wissen (wusste, gewusst) – weten
Wissenschaft – wetenschap
Wissenschaftler – wetenschappers
Witz – grapje (het)
wo? – waar?
woher? – waarvandaan?
wohin? – waarheen?
wohnen – wonen
Wohnungsmakler – makelaar
Wohnzimmer – woonkamer
Wolke – wolk
Wolle – wol
wollen – willen
Wort – woord (het)
Würfel – dobbelsteen
Yogurt – yoghurt
Zahl – aantal
zählen – tellen
Zahn – tand
Zahnpasta – tandpasta
Zaun – hek (het)
Zeh – teen
zehn – 10
zeichnen – tekenen
Zeichnung – tekening
Zeigefinger – wijsvinger
zeigen – (aan)tonen
zeigen auf – wijzen naar/op
Zeile – regel
Zeit – tijd
Zeitung – krant
ziehen – trekken
Ziel – doel
ziemlich – tamelijk, nogal
Zigarette – sigaret
Zimt – kaneel
Zitrone – citroen
Zitronensprudel – spa groen

zu – tot / te
Zucker – suiker
Zuckerstück – suikerklontje (het)
Zudem – daarbij
Zug – trein
zuhören – luisteren naar
zuhören (hörte zu, zugehört) – luisteren
Zuletzt – Als laatste
zum Beispiel – bijvoorbeeld
zumal – vooral omdat
zunächst – allereerst
zusammen – samen
Zusammenfassung – Samenvatting
zusätzlich – daar komt bij, daarnaast
zuschicken – opsturen
Zuspitzung – Toespitsing
zwanzig – 20
zwanzig – twintig
zwar aber – zwar…doch / weliswaar
zwei – 2
zwei – twee
zweihundertvierunddreißig – tweehonderdvierendertig
zweitausend – tweeduizend
zweite – tweede
zweiundzwanzig – tweeëntwintig
zwischen – tussen
zwölf – 12