Advertentie

Meest gebruikte Italiaanse woorden – De Top 100

Handig, de meest gebruikte zinnen wen woorden Italiaans op een rij. Lees meer om wat kennis op te doen…

Advertentie

 

Meest gebruikte Italiaanse woorden - De Top 100
Meest gebruikte Italiaanse woorden – De Top 100

Leest hier ->>> meer over Italië op deze website…


Meest gebruikte Italiaanse woorden – De Top 100


accendere schakelaar
accettare aanvaarden
aggiustare aanpassen
alzarsi stijgen
andare gaan
aprire open
ascoltare luisteren
aspettare wachten
aver bisogno nodig
avere hebben
avere successo slagen
ballare dans
bere drinken
cadere vallen
cambiare verandering
cancellare verwijderen
cantare zingen
capire begrijpen
chiedere / domandare vraag / vragen
chiudere dicht
cominciare beginnen
comprare kopen
contare tellen
correre lopen
credere geloven
dare geven
dimenticare vergeten
dire zeggen
dire zeggen
disegnare tekenen
dormire slaap
far stare mensen laten blijven
fare do
fare del male pijn doen
fare lo spelling spelling
finire einde
firmare teken
fumare rook
giocare spelen
guardare kijk
guardare kijk
guidare leiden
imparare leren
insegnare onderwijzen
lamentarsi klagen
lavorare werk
leggere lezen
mangiare eten
mettere zetten
nuotare zwemmen
organizzare organiseren
pagare betalen
parlare praten
parlare praten
partire/andarsene van / te vertrekken
pensare denken
perdere verliezen
permettere toestaan
pettinare kam
piovere regen
portare leiden
potere macht
prendere nemen
prendere in prestito lenen
preoccuparsi zorgen
provare proberen
pulire schoon
rempire rempire
rispondere antwoord
rompere breuk
sapere/conoscere om te weten / leren
scrivere schrijven
scrivere al computer schrijven naar de computer
sedersi zitten
sentire horen
spedire schip
spegnere uitschakelen
spendere doorbrengen
spiegare uitleggen
studiare studie
svegliarsi wekken
tagliare gesneden
tossire hoesten
tradurre vertalen
trovare vinden
usare gebruik
vedere zien
vendere verkopen
viaggiare reizen
vivere leven
volare vliegen
volere/desiderare willen / wensen

Meest gebruikte zinnen in het Italiaans


Hoe begroet je elkaar in Italië

1 Salve! – Hallo!
2 Salve, come va? – Hallo, alles goed?
3. Buongiorno – Goede morgen
4. Buon pomeriggio – Goede middag
5. Buonasera – Goede avond
6. Buonanotte – Goede nacht
7. Grazie mille – Hartelijk bedankt
8. Grazie a Lei – Jij ook bedankt
9. Arrivederci, alla prossima – Tot ziens, tot de volgende keer
10. Bella giornata oggi, vero? – Het weer is heerlijk, toch?
11. Mi chiamo… – Ik heet…
12. Sono olandese / americano / canadese / inglese – Ik ben Nederlander / Amerikaan / Canadees / Engels
13. Lei di dov’è? – Waar kom je vandaan?
14. Piacere – Fijn je te zien
15. Mi sto divertendo molto – Ik heb het goed naar mijn zin


Taalproblemen

16. Mi scusi, non capisco – Ik begrijp je niet
17. Non parlo italiano molto bene – Ik spreek niet goed Italiaans
18. Potrebbe ripetere, per favore? – Wil je het nog eens herhalen alsjeblieft
19. Potrebbe scrivermelo? – Kun je het voor me opschrijven
20. Cosa vuole dire? – Eat beteken dat?
21. Parla inglese? – Spreek je Engels?
22. Mi scusi – Sorry
23. Non lo so – Ik weet het niet
24. Va bene – Gaat goed
25. Non importa – Niet belangrijk


Getallen

uno – een
due – twee
tre – drie
quattro – vier
cinque – vijf
sei – zes
sette – zeven
otto – acht
nove – negen
dieci – tien
undici – elf
dodici – twaalf
tredici – dertien
quattordici – veertien
quindici – vijftien
sedici – zestien
diciassette – zeventien
diciotto – achttien
diciannove – negentien
venti – twintig
ventuno – 21
ventidue – 22
trenta – 23
quaranta – 40
cinquanta – 50
sessanta – 60
settanta – 70
ottanta – 80
novanta – 90
cento – 100
duecentocinquanta – 250
cinquecento – 500
settecento ottantatré – 783
mille – 1000


In het restaurant

26. Un tavolo per uno / due, per favore – Een tafel voor een / twee alsjeblieft
27. Siete già aperti? – Zijn jullie al open?
28. Possiamo aspettare (per un tavolo)? – kunnen we wachten (voor een tafel)?
29. Possiamo sederci laggiù? – Kunnen we daar zitten?
30. Mi scusi! – Excuseer!
31. Cosa mi consiglia? – Wat raad je aan?
32. Qual è la specialità della casa? – Wat is het populairste gerecht?
33. Cos’è questo? – Wat is dit?
34. Mi farebbe un assortimento dei piatti migliori? – Breng me maar iets lekkers
35. Faccia Lei! / Lascio decidere a Lei. – Beslis jij maar
36. Il conto, per favore – De rekening alsjeblieft
37. Potrei avere il menu, per favore? – Heb je een menu alsjeblieft


Vervoer

38. Vorrei andare a ___ – Ik wil naar _
39. A che ora parte il prossimo treno / autobus per ___? Hoe laat gaat de volgende trein / bus naar _ ?
40. Quanto costa? – Hoeveel kost het?
41. 1 biglietto / 2 biglietti (per ___, per favore – 1 ticket / 2 tickets (naar _), alsjeblieft
42. Quanto dura il viaggio? – Hoe lang duurt het?
43. Dove devo andare adesso? – Waar moet ik naar toe?
44. Quando parte? – When does it leave?
45. Che ore sono (adesso)? – Hoe laat is het (nu)?
46. Questo treno / autobus ferma a ___? – Stopt deze trein / bus in _?
47. Mi scusi, è qui ___? – Excuseer, is dit _?
48. Dove si trova ___ sulla carta? – Waar is _ op de kaart?


De weg vragen

49. Mi scusi, posso farle una domanda? – Excuseer, kan ik wat vragen?
50. Vorrei andare a ___ – Ik wil naar _
51. Vorrei andare qui – Daar wil ik heen (op de kaart)
52. Mi sono perso / Mi sono persa – Ik ben verdwaald
53. Come posso arrivarci? – Hoe kom ik daar?
54. È di qua? – Die kant op?
55. Potrebbe indicarmelo sulla carta? – Can you show me on the map?
56. Dov’è ___? – Waar is _ ?


Shoppen

57. Mi piace questo – Ik vind het mooi
58. Quanto costa questo? – Hoeveel is het?
59. Se li compro entrambi? – Kan ik deze beide zien
60. È troppo caro per me – Dat is te duur voor mij
61. Può farmi uno sconto? – Kan ik korting krijgen
62. Cerco una ___ – Ik zoek _
63. Sto solo guardando – Ik kijk rond
64. Grazie, continuo a guardare – Dank je, ik kijk even verder
65. Un attimo – Wacht even
66. Sì, grazie – Ja, alsjeblieft
67. No, grazie – Nee, dank


Gezondheid

68. Può aiutarmi, per favore? – Kun je me helpen alsjeblieft?
69. Devo andare da un medico – Ik moet naar de dokter
70. Non mi sento bene – Ik voel me niet zo goed
71. Non si sente bene – Hij / zij voelt zich niet lekker
72. C’è un ospedale da queste parti? – Is er hier een ziekenhuis?
73. Mi porti in ospedale, per favore – Breng me naar het ziekenhuis
74. Mi fa male qui – Hier doet het zeer
75. Ho bisogno di medicine – Ik heb medicijnen nodig


En nog wat extra zinnen…

76. Mi scusi, ma… – Sorry, mag ik je even lastigvallen want
77. Posso farle una domanda? – Kan ik je snel iets vragen
78. Cerco un posto qui in zona dove si mangi bene – Ik zoek iets waar ik lekker kan eten
79. Cerco un bar carino qui in zona – Ik zoek een leuk café on de buurt
80. Ne conosce qualcuno? – Ken je iemand hier?
81. C’è qualche posto interessante da visitare qui in zona? – Is er iets leuks te zien in buurt
82. Grazie comunque – Toch bedankt


 

advertentie