Ontwikkeling koopkracht Nederland sinds 1985

Ontwikkeling koopkracht Nederland sinds 1985
Ontwikkeling koopkracht Nederland sinds 1985

Ontwikkeling koopkracht Nederland sinds 1985

In de laatste 35 jaar, sinds het CBS onze koopkracht meet, zijn we vijf jaar gemiddeld ‘armer’ en 30 jaar rijker! Daarmee kunnen we stellen dat het met de gemiddelde Nederlander echt wel goed gaat.

Natuurlijk hangt het er enorm vanaf in welke doelgroep je valt. Ook kunnen binnen de doelgroep er enorme verschillen zijn. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben overduidelijk het minst geprofiteerd van de ‘vette jaren’. Sterker nog: ook bij een aantal gemiddelde koopkrachtstijgingen mochten zij nog steeds inleveren. Lees meer…


lees hier ->>> meer over geld op deze website.


Koopkracht geeft aan wat huishoudens met hun inkomen kunnen kopen. Beleidsmakers zijn vooral geïnteresseerd in de verandering van de koopkracht. Het CPB raamt daarom de koopkrachtverandering: hoeveel kunnen huishoudens volgend jaar meer of minder kopen dan dit jaar?
Het Centraal Planbureau (CPB) berekent de koopkracht met:

  • het gemiddelde inkomen;
  • inflatie (waardevermindering van geld);
  • de gemiddelde lasten, zoals belastingen.

De koopkrachtcijfers helpen de regering om de gevolgen van voorgenomen beleid in te schatten.


Ontwikkeling koopkracht Nederland sinds 1985


Koopkracht 2020 +2,2 procent

Dit is de hoogste groei sinds 2016. Voor werknemers steeg de koopkracht het meest, met 4,3 procent. Ook pensioenontvangers hadden een koopkrachtgroei in 2020, van 1 procent in doorsnee.

De doorsnee koopkrachtgroei bij zelfstandigen was minder gunstig, maar wel positief: 1,1 procent. Voor 53 procent van de zelfstandigen steeg de koopkracht, voor 40 procent van de zelfstandigen daalde de koopkracht echter met minstens 2,6 procent. Voor 20 procent daalde de koopkracht zelfs met 16 procent of meer.


Koopkracht 2019 +1,3 procent

Het besteedbaar inkomen van Nederlandse huishoudens was gemiddeld 36.365 euro. De koopkrachtgroei in 2019 was het sterkst onder werknemers (2,5 procent), terwijl ook gepensioneerden er voor het eerst in twee jaar op vooruit gingen.

De positieve koopkrachtontwikkeling is onder meer het resultaat van de grootste cao-loonstijging in tien jaar. Ook hadden verschillende fiscale maatregelen een positieve uitwerking op de koopkracht van veel Nederlanders vorig jaar.


Koopkracht 2018 +0,3 procent

De koopkracht van de Nederlandse bevolking is in 2018 met 0,3 procent gegroeid ten opzichte van 2017, de laagste groei na 2013. Werknemers hadden een koopkrachtstijging van in doorsnee 1,8 procent, terwijl gepensioneerden een koopkrachtdaling van 0,5 procent kenden.

Werknemers kenden in 2018 een doorsnee koopkrachtstijging van 1,8 procent. Bij een doorsnee besteedbaar inkomen in 2017 van 43 duizend euro voor werknemers, betekende dit een inkomensstijging van 1.505 euro en 775 euro meer reële koopkracht in 2018.

Als de koopkracht in doorsnee stijgt, wil dat niet zeggen dat iedereen erop vooruitgaat. Zo kromp de koopkracht vorig jaar bij bijna 48 procent van de bevolking. Daarbij varieerden de onderlinge koopkrachtontwikkelingen fors. Bij één vijfde van de bevolking daalde de koopkracht met ten minste 6,7 procent.

Gepensioneerden zagen hun koopkracht in 2018 in doorsnee met 0,5 procent dalen. Door hoofdzakelijk negatieve koopkrachtontwikkelingen in recente jaren heeft deze groep sinds 2008 in doorsnee ruim 12 procent aan koopkracht ingeleverd.


Koopkracht 2017 +0,5 procent

Werknemers gingen er het meest op vooruit, terwijl gepensioneerden hun koopkracht zagen afnemen. Wanneer de koopkracht in doorsnee stijgt, wil dat niet zeggen dat iedereen erop vooruitgaat. Zo kromp de koopkracht vorig jaar bij 46 procent van de bevolking. Daarbij varieerden de onderlinge koopkrachtontwikkelingen fors. Bij één vijfde van de bevolking daalde de koopkracht met ten minste 7 procent, bij een even grote andere groep nam de koopkracht juist met 10,9 procent of meer toe.


Koopkracht 2016 +2,7 procent

Voor werknemers was de koopkrachtwinst met 4,9 procent het hoogst in 15 jaar tijd. Gepensioneerden zagen hun koopkracht het minst toenemen. De stijging van de koopkracht in 2016 was mede het gevolg van een miljardenpakket aan maatregelen voor lastenverlichting en een toename van de cao-lonen met gemiddeld 1,8 procent. Daarnaast werd de koopkracht nauwelijks gedrukt door de stijging van de consumentenprijzen (slechts 0,3 procent).

Gepensioneerden zagen hun koopkracht in doorsnee met 0,9 procent toenemen.


Koopkracht 2015 +1,1 procent

Vooral werknemers gaan erop vooruit, terwijl de koopkracht van gepensioneerden marginaal afnam.


Koopkracht 2014 +1,5 procent

Alle bevolkingsgroepen zagen in een langzaam aantrekkende economie hun koopkracht stijgen. Werknemers gingen er met 2,7 procent het meest op vooruit. Ondanks de lage cao-loonstijging nam de koopkracht van ambtenaren met 3,7 procent toe. De koopkracht van werknemers verbeterde mede doordat de pensioenpremies zijn verlaagd. Bij ambtenaren werkte deze premieverlaging het sterkst door.

Zelfstandigen gingen er met 0,3 procent maar weinig op vooruit. Bij hen is de spreiding echter groot. Terwijl bij een kwart van de zelfstandigen de koopkracht met ten minste 13 procent daalde, steeg deze bij een even grote groep met bijna 14 procent of meer.

Nadat uitkeringsontvangers er vier jaar op achteruit waren gegaan, zagen ook zij hun koopkracht vorig jaar stijgen. Van de uitkeringsontvangers gingen de bijstandsontvangers er met 1,8 procent het meest op vooruit. Bij gepensioneerden was de stijging met gemiddeld 0,4 procent aan de magere kant. Dit komt onder meer doordat veel aanvullende pensioenen slechts in beperkte mate stegen met de inflatie en soms zelfs werden gekort.


Koopkracht 2013 -1,1 procent

De koopkracht daalt daarmee voor het vierde jaar op rij, geheel in lijn met de economische crisis en de oplopende werkloosheid in deze jaren. alleen werknemers gingen er met 0,4 procent licht op vooruit. Zelfstandigen leverden met 3,3 procent het meest in. Wel is bij hen de spreiding groot. Terwijl bij een kwart van de zelfstandigen de koopkracht in 2013 met ten minste 16 procent daalde, steeg deze bij een even grote groep met 10 procent of meer.

Ook uitkeringsontvangers leverden flink aan koopkracht in. Bij gepensioneerden daalde de koopkracht voor de vierde keer achtereen, ditmaal sterk met 3,0 procent. Dit komt onder meer doordat veel aanvullende pensioenen niet geïndexeerd, maar zelfs gekort werden. Verder is de AOW-gerechtigde leeftijd omhoog gegaan, waardoor sommige mensen te maken kregen met een AOW-gat.


Koopkracht 2012 -1 procent

Ook in 2010 en 2011 was er sprake van koopkrachtverlies, maar toen bleef dit beperkt tot respectievelijk 0,5 en 0,8 procent. In de periode 1985-2012 verslechterde de koopkracht van de bevolking nog nooit zo sterk als vorig jaar. De economische crisis had in 2012 voor veel bevolkingsgroepen wederom een daling van de koopkracht tot gevolg.

Bij werknemers bleef het koopkrachtverlies beperkt tot 0,4 procent. Zelfstandigen echter gingen er met een koopkrachtdaling van 2,7 procent fors op achteruit. Wel is bij deze groep de spreiding groot. Terwijl bij een tiende van de zelfstandigen de koopkracht in 2012 met ten minste 29 procent daalde, steeg deze bij een even grote groep met 28 procent of meer.

Ook uitkeringsontvangers leverden flink aan koopkracht in. De gepensioneerden onder hen zagen hun koopkracht in 2012 voor de derde keer op rij dalen, met 1,2 procent; de bijstandsontvangers gingen er 1,5 procent op achteruit.


Koopkracht 2011 -0,4 procent

De grootste daling deed zich in 2011 voor bij de gepensioneerden bij wie de koopkracht met 1,1 procent kromp. Dit kwam onder meer doordat veel pensioenen vorig jaar niet of nauwelijks geïndexeerd zijn of zelfs verlaagd werden. Daarnaast liep ook bij bijstandsontvangers (-1,0 procent) en arbeidsongeschikten (-0,8 procent) de koopkracht naar verhouding flink terug.

Werknemers zagen in 2011 hun koopkracht met 0,5 procent stijgen. Door periodieke loonsverhoging, promotie of een nieuwe baan verbeteren werknemers hun loon doorgaans sterker dan volgens de cao-ontwikkeling.

Bij zelfstandigen daalde de koopkracht met 0,6 procent. De koopkrachtverandering bij zelfstandigen kent echter traditioneel een grote spreiding: bij 10 procent van hen van bedroeg de koopkrachtmutatie vorig jaar -34 procent of minder, terwijl bij een even grote groep de koopkracht met 29 procent of meer toenam.


Koopkracht 2010 -0,5 procent

Dit is de grootste koopkrachtdaling sinds 1985. Vanaf dat jaar onderzoekt het CBS jaarlijks de daadwerkelijk ondervonden koopkrachtveranderingen. Alleen in 2005 daalde de koopkracht ook, toen met 0,3 procent.

Vooral zelfstandigen en gepensioneerden leverden in 2010 koopkracht in. Bij zelfstandigen liep de koopkracht met 1,4 procent terug, bij gepensioneerden bedroeg het koopkrachtverlies 0,8 procent.

Ontvangers van een bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering en werknemers die hun baan behielden, konden hun koopkracht nog op peil houden. Van werknemers die terechtkwamen in een uitkeringssituatie daalde de koopkracht ruim 17 procent.


Koopkracht +2009 1,4 procent

De koopkracht van werknemers die hun baan behielden steeg met 3,1 procent. Dat is meer dan gemiddeld.

Mensen met een uitkering gingen er minder op vooruit. Bij de grootste groep, de gepensioneerden, steeg de koopkracht met 0,2 procent. De koopkracht van arbeidsongeschikten en bijstandsontvangers nam toe met respectievelijk 1,5 en 1,4 procent. Mensen die in 2008 en 2009 werkloos waren, kregen daarentegen te maken met een daling van 0,6 procent.

Werknemers die werkloos werden, leverden fors in. Hun koopkracht daalde met ruim 16 procent. Bij mensen die arbeidsongeschikt werden of met pensioen gingen, verminderde de koopkracht met ongeveer 11 procent.


Koopkracht 2008 +0,8 procent

De koopkracht van ambtenaren steeg het meest. Gemiddeld gingen ze er 2,3 procent op vooruit. Ook de overige werknemers kwamen met 1,8 procent ruim boven de koopkrachtstijging van de totale bevolking uit.

Uitkeringsontvangers daarentegen, gingen er nauwelijks op vooruit. Bij de grootste groep, de gepensioneerden, bleef de koopkracht vrijwel gelijk. De bijstandsontvangers leverden 0,2 procent aan koopkracht in, terwijl de koopkracht van werklozen licht verbeterde. Alleen bij de arbeidsongeschikten was er sprake van een noemenswaardige koopkrachtstijging: met 1,1 procent lag deze zelfs iets boven het gemiddelde.


Koopkracht 2007 +0,8 procent

In 2007 kwam het gemiddelde huishoudensinkomen uit op 22,1 duizend euro. Het inkomen verandert aanzienlijk gedurende de levensloop. Bij jongeren is vaak sprake van een sterke stijging. Zij beginnen met een laag inkomen en gaan vervolgens fors omhoog doordat zij (beter) betaald werk vinden of doordat hun loon op grond van leeftijd en ervaring stijgt.

Bij huishoudens met een hoofdkostwinner van 50 tot 55 jaar is het inkomen het hoogst, gemiddeld 26,3 duizend euro. De hoofdkostwinner, doorgaans van het mannelijke geslacht en voltijd werkend, bevindt zich dan aan de top van zijn salarisschaal. Na het 55ste levensjaar stoppen steeds meer mensen geheel of gedeeltelijk met werken, waardoor het inkomen daalt.


Lees hier ->>> de landen met het hoogste minimumloon op deze website.


Ontwikkeling koopkracht Nederland sinds 1985

2020 +2,2 procent
2019 +1,3 procent
2018 +0,3 procent
2017 +0,5 procent
2016 +2,7 procent
2015 +1,1 procent
2014 +1,5 procent
2013 -1,1 procent
2012 -1,0 procent
2011 -0,4 procent
2010 -0,5 procent
2009 +1,4 procent
2008 +0,8 procent
2007 +3,1 procent
2006 +2,4 procent
2005 -0,5 procent
2004 +0,7 procent
2003 +0,1 procent
2002 +1,6 procent
2001 +5,0 procent
2000 +2,0 procent
1999 +1,2 procent
1998 +2,8 procent
1997 +1,5 procent
1996 +1,3 procent
1995 +1,0 procent
1994 +0,0 procent
1993 +1,0 procent
1992 +0,5 procent
1991 +0,7 procent
1990 +3,7 procent
1989 +2,7 procent
1988 +1,5 procent
1987 +3,9 procent
1986 +4,2 procent
1985 +1,6 procent