, , ,

Impressionisme: een geschiedenis (deel I)

Impressionisme: een geschiedenis (deel I)

Lees hier → deel 2 Impressionisme: een geschiedenis en hier → deel 3 Impressionisme: een geschiedenis

Het is Parijs, ergens in de jaren zestig van de negentiende eeuw. De stad is in beweging, ook in de schilderkunst. Terwijl de École des Beaux-Arts haar studenten nog altijd drillt in de oude gewoonten, strakke tekeningen, Bijbelse en mythologische taferelen, het zorgvuldig kopiëren van de grote meesters, ontstaat in kleine ateliers iets afwijkends. Daar wordt geëxperimenteerd, geschilderd naar het echte leven, naar de vluchtigheid van het licht en de kleuren die voortdurend veranderen.

Le Chanteur Espagnol (1860) – Édouard Manet

Een van de sleutelfiguren van deze nieuwe beweging is de Parijzenaar Édouard Manet (1832 – 1883). Rond Manet vormt zich een jonge garde van enthousiaste schilders. Overigens zal hij zichzelf nooit aansluiten bij hun tentoonstellingen, maar hij is wel hun kompas.

Édouard Manet

Het officiële Salon, de jaarlijkse tentoonstelling van de Académie des Beaux-Arts, sluit de beweging meestal buiten. Te modern, te ruw, te weinig verheven. De breuk komt in 1863, wanneer het beruchte Salon des Refusés opent: de plek waar deze afgewezenen hun werk laten zien. Daar wordt duidelijk dat er iets nieuws broeit.

De nieuwe beweging krijgt een naam: Impressionisme

Elf jaar later, in 1874, organiseren ze hun eigen expositie. Dertig kunstenaars doen mee: Cézanne, Degas, Monet, Morisot, Pissarro, Renoir, Sisley. Het is daar dat de satirische journalist Louis Leroy hen een scheldwoord toewerpt, “impressionnistes”, naar Monets doek Impression, soleil levant. Hij bedoelt het spottend, maar het woord blijft hangen en wordt de naam van een beweging.

Eerst zijn de reacties vernietigend. Kranten spreken over “half afgemaakte doeken”, het publiek lacht. Toch vinden ze bondgenoten: verzamelaars als Gustave Caillebotte, die hun eerste exposities mogelijk maken, en kunsthandelaar Paul Durand-Ruel, die de werken aan de andere kant van de oceaan introduceert. Door de Amerikaanse schilderes Mary Cassatt bereikt het impressionisme vanaf 1886 New York en Philadelphia, waar het een triomf viert die zelfs de Fransen niet onberoerd laat.

Mary Cassat, Zelfportret (ca. 1878) – MoMA

Langzaam schuift de balans. Rond 1880 begint de pers milder te worden, geholpen door schrijvers als Émile Zola en door een nieuwe, liberalere regering onder Léon Gambetta. Werken van Monet en zijn vrienden duiken op in musea en op het Salon des artistes français. In de jaren negentig sterven Morisot, Caillebotte en Sisley, en valt de groep uiteen. Sommigen, zoals Cézanne en Pissarro, zoeken hun weg naar nieuwe avant-gardes. Maar het fundament is gelegd.

Wat deze schilders bindt, is hun stijl. In 1869, op de oevers van de Seine bij La Grenouillère, schilderen Monet en Renoir doeken die bijna trillen van licht. Hier ontstaat de nieuwe esthetiek: kleur gaat vóór lijn, snelle toetsen in plaats van gladde oppervlakken, ongebruikelijke composities, en vooral: schilderen in de open lucht, midden in de wereld die ze willen vangen. Niet langer goden en helden, maar het gewone leven – een boottocht, een wandeling, een middag in het park.

Zo ontstaat het impressionisme: een kunst die niet het eeuwige en verhevene wil vatten, maar juist dat ene moment, dat ene spel van licht en kleur dat even opflikkert en weer verdwijnt.


1859–1874: de aanloop

Het is de tijd van overgang, van scheuren in de muren van de oude kunst. Kunsthistorica Sophie Monneret noemt het later het “pré-impressionnisme”: een schilderkunst die nog niet helemaal breekt, maar al wel schetst, suggereert, vooruitwijst naar wat gaat komen.

Engeland – Constable en Turner

De eerste barst zien we in Engeland. John Constable laat de verheven landschappen van weleer varen en zoekt eenvoud: een boerderij, een veld, een wolk die langsdrijft. William Turner kiest juist voor het tegenovergestelde: snelheid, vonk en beweging. Kijk naar zijn The Burning of the Houses of Lords and Commons uit 1834, een explosie van vuur en rook boven de Theems, de vormen bijna opgelost in licht en kleur. Hier, zegt de kunsthistorica Sophie Monneret, ligt de kiem van Monet.

William Turner, The Burning of the Houses of Lords and Commons, 16 Oktober 1834

De zoektocht naar licht

In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt de zoektocht naar licht een Europese obsessie. Overal trekken kunstenaars naar buiten, palet en ezel onder de arm. In Italië zijn er de Macchiaioli, tijdgenoten van de Franse impressionisten. Soms ontmoeten ze elkaar, via Degas, en wisselen ze ideeën uit.

Frankrijk – Corot en Delacroix

Ook in Frankrijk zelf groeit de onrust. Camille Corot schildert landschappen die afwijken van de academische norm en wordt in 1843 door het Salon afgewezen. Toch voedt hij in de jaren zestig jonge kunstenaars: Berthe en Edma Morisot, Pissarro. Zijn invloed ademt door in het hele impressionistische netwerk.

Eugène Delacroix, met zijn gebroken toets en geladen sferen, hoort er ook bij. Zijn manier om atmosfeer te scheppen, een kleur die uiteenvalt in snelle streken, loopt vooruit op de esthetiek die later Monet en Renoir zullen omarmen. Delacroix “La Liberté guidant le peuple” uit 1830, vandaag te zien in het Louvre, is meer dan een patriottisch schilderij: het is een explosie van rook, stof en kleur, opgebouwd uit losse streken die de hele voorstelling laten trillen. Die gebroken toets, die geladen atmosfeer – het loopt vooruit op de esthetiek die later Monet en Renoir zullen omarmen.

Eugène Delacroix, La Liberté guidant le peuple (1830) –

De School van Barbizon

Even buiten Parijs, in het woud van Fontainebleau, ontstaat halverwege de negentiende eeuw een merkwaardige kolonie van schilders. Théodore Rousseau, Jean-François Millet, Charles-François Daubigny, Narcisse Diaz de la Peña, allemaal trekken ze er met hun ezels en doeken op uit, midden de natuur in. Ze willen het landschap niet langer idealiseren, maar schilderen zoals het er ligt: ruw, levend, vol kleur.

Jean-François Millet, Arenleessters (1857)

Hun doeken tonen boeren op het veld, boerderijen, kronkelende bospaden en zware eiken. De verf wordt sneller neergezet, feller van toon. Het zijn geen helden of goden, maar het gewone plattelandsleven dat centraal staat.

Voor de jonge generatie die na hen komt, Monet, Pissarro, Renoir, wordt Barbizon een leerschool. Daar zien ze dat schilderen in de open lucht mogelijk is, dat je met snelle toetsen en krachtige kleuren de werkelijkheid kunt vangen. Het is een stap weg van de academische historie, en een eerste aanloop naar het impressionisme.

De erfgenamen

Uit al die bronnen, Constable, Turner, Corot, Delacroix, Barbizon, groeit een nieuwe vorm van schilderkunst. De lijn maakt plaats voor kleur, de mythe voor het moment, het atelier voor de open lucht. In dit overgangslandschap, tussen traditie en vernieuwing, worden de toekomstige impressionisten groot.

Het Salon van 1859

In 1859, het jaar waarin Parijs gonst van nieuwe namen, komt alles samen. Claude Monet arriveert in de stad, Edgar Degas keert terug, en Camille Pissarro waagt zijn eerste inzending naar het Salon. Hij wordt toegelaten het Salon de Paris van 1859, de officiële jaarlijkse tentoonstelling van de Académie des Beaux-Arts, gehouden in het Palais des Champs-Élysées, met zijn werk Paysage à Montmorency. Maar anderen, Édouard Manet, Fantin-Latour, James Whistler, worden resoluut afgewezen.

Camille Pissarro, Paysage à Montmorency (1859)

Het Salon, de jaarlijkse tentoonstelling van de Académie des Beaux-Arts, is dé poort naar erkenning. Hier bepaalt de jury wie kunstenaar mag zijn en wie niet. Courbet, de grote realist van die tijd, dient niets in. Maar zijn schaduw hangt over alles. Voor sommigen is hij de oorzaak van de middelmatigheid van de kunst, voor anderen de eerste wegbereider van een nieuwe tijd. Onder zijn vurige verdedigers bevinden zich al critici als Émile Zola en Zacharie Astruc, later ook bondgenoten van de impressionisten.

Het einde van de historieschilderkunst

Het Salon van 1859 wordt gezien als een kantelpunt. De historieschilderkunst, eeuwenlang de maat der dingen, lijkt op haar retour. Landschappen en scènes uit het dagelijks leven krijgen de overhand. Criticus Jules-Antoine Castagnary spreekt van “een nieuwe revolutie” die zich aandient. In zijn ogen wordt het landschap de erfgenaam van het romantisme.

Camille Corot, François Daubigny en Théodore Rousseau worden de publiekslievelingen van deze tijd. En voor jonge bezoekers als Degas en Monet is dit alles een openbaring. Degas schrijft vol bewondering over Delacroix, terwijl Monet zijn hart verliest aan Daubigny en Constant Troyon.

Een paar zalen verder Pissarro’s Paysage à Montmorency hangen de doeken van Camille Corot zoals La Forêt de Fontainebleau. Corot is de nestor van de Franse landschapskunst. Zijn bomen baden in een zilverachtig licht, zijn velden zijn zacht en poëtisch. Waar Pissarro voorzichtig zijn eerste stappen zet, wordt Corot inmiddels door publiek en critici gevierd als meester.

Camille Corot, La Forêt de Fontainebleau (1859)

Ontmoetingen in de stad

Toch kennen de toekomstige impressionisten elkaar in die jaren nog nauwelijks. Alleen Fantin-Latour en Whistler trekken samen op. Vanaf 1860 komt er langzaam beweging in. In de zalen van het Louvre kruisen Degas, Manet en de zussen Berthe en Edma Morisot elkaar.

In 1861 ontmoeten Pissarro, Cézanne en Guillaumin elkaar aan de Académie Suisse, een vrij atelier zonder de strenge regels van de École des Beaux-Arts. En een jaar later, in 1862, belanden Monet, Bazille, Renoir en Sisley samen in het atelier van de schilder Charles Gleyre. Daar, in die rumoerige werkplaats, ontstaat een netwerk dat de kiem zal worden van het impressionisme.

Het schandaal van 1863

Dan komt 1863, het jaar waarin Delacroix sterft. Het is ook het jaar waarin Manet zijn eerste solotentoonstelling opent, in de galerie Martinet. En het jaar van Le Déjeuner sur l’herbe. Een doek dat de wereld op zijn kop zet: een naakte vrouw, realistisch geschilderd, zittend tussen twee geklede mannen. Geen mythologie, geen allegorie, maar het Parijs van nu.

Edouard Manet, Le Déjeuner sur l’herbe (1863)

Het publiek is woedend. Critici noemen het “vuil”, een verheerlijking van prostitutie. Het schilderij wordt getoond op het Salon des Refusés, waar de afgewezen werken belanden. Daar maakt het schandaal furore – en vestigt Manet zich, tegen wil en dank, als het boegbeeld van het modernisme.

De jaren zestig

In de daaropvolgende jaren herhaalt het patroon zich. Manet stuurt werk in, de jury weigert, het publiek schreeuwt. Maar juist daardoor groeit zijn gezag. Jongere kunstenaars verzamelen zich rond hem, in wat al snel bekend staat als het “Groupe des Batignolles”. Hij wordt hun spil, hun leider, de man die de gevestigde orde durft te tarten.


Het café Guerbois

Vanaf 1866 is er een plek waar de jonge garde elkaar steeds vaker treft: café Guerbois, in de Grande-Rue-des-Batignolles. Niet ver van Manets atelier. De avonden zijn rokerig, rumoerig, vol discussie. Schrijvers als Émile Zola en Zacharie Astruc schuiven aan, critici zoals Louis Edmond Duranty, schilders als Renoir, Monet en Fantin-Latour, en zelfs de beroemde fotograaf Nadar.

Au café van Edouard Manet, lithografie van 1869 die het café Guerbois voorstelt.

Daar wordt gedronken, gedebatteerd, er wordt gelachen en geruzied. Iedereen die zich verbonden voelt met het nieuwe, het moderne, komt er langs. Manet is de spil van dit gezelschap. Hij schildert, hij daagt uit, hij provoceert. Het is in dit café dat de groep zijn naam krijgt: het Groupe des Batignolles.

Een eigen koers

De gesprekken zijn ernstig en speels tegelijk. Hoe moet de schilderkunst eruitzien in een eeuw die verandert door spoorlijnen, stoomschepen en kranten? De jonge schilders wijzen de academische kunst af, geen mythische godinnen meer, geen heroïsche veldslagen. Zij willen het leven schilderen dat ze zien, nu, op straat en in de parken.

In 1867, terwijl het officiële Salon streng blijft selecteren, schrijven Cézanne, Renoir, Bazille en Pissarro een petitie voor een nieuw Salon des Refusés. Tevergeefs. Manet richt daarop een eigen paviljoen in, vlak bij het Pont de l’Alma, net zoals Courbet dat doet. Het is een eerste signaal dat de groep zijn eigen weg wil gaan.

La Grenouillère

Twee jaar later, in 1869, trekken Monet en Renoir samen naar La Grenouillère, een populaire uitspanning aan de Seine bij Croissy. Het is zomer, de bourgeoisie komt er om te zwemmen, te flaneren, te varen. Op hun doeken lossen de figuren bijna op in het schitterende water. De verf wordt snel en luchtig neergezet, alsof het penseel nauwelijks de tijd krijgt om te rusten.

La Grenouillère – Claude Monet (1869)

Deze schilderijen – speels, trillend van licht – worden later beschouwd als de eerste échte impressionistische werken. Hier, aan de rivier, krijgt de nieuwe schilderkunst haar gezicht.

Een nieuwe esthetiek

Wat opvalt in deze doeken: kleur gaat vóór lijn, de toets is kort en snel, en het doek ademt lucht en licht. Alsof de schilder zelf ook maar een passant is, die een moment opvangt dat nooit meer terugkomt. Het is het begin van een andere manier van kijken – niet naar de eeuwigheid, maar naar het ogenblik.


De oorlog breekt uit

De zomer van 1870. Terwijl Parijs nog vol is van plannen, discussies en tentoonstellingen, breekt de Frans-Duitse oorlog uit. Alles valt stil. De schilders worden uiteen geslagen. Frédéric Bazille, de jonge vriend van Monet en Renoir, meldt zich bij het leger. Hij sneuvelt nog voor hij dertig is. Degas en Manet worden gemobiliseerd in Parijs, Renoir belandt elders in Frankrijk.

Bazille’s atelier. De schilder staat in het midden, tegenover hem. Édouard Manet observeert het doek; Edmond Maître speelt piano. Samenwerking met Édouard Manet

Pissarro en Monet ontkomen aan de chaos en trekken naar Londen. De stad is vreemd, mistig, maar ook vol mogelijkheden.

Londen

Daar, in de Engelse hoofdstad, ontmoeten ze een man die van levensbelang zal zijn: kunsthandelaar Paul Durand-Ruel. Ook hij heeft zich tijdelijk in Londen gevestigd. Via François Daubigny maakt hij kennis met de jonge Franse schilders. Hij ziet iets in hun werk dat anderen nog niet zien.

Marcellin Desboutin, Paul Durand-Ruel

Durand-Ruel koopt schilderijen van Monet, later ook van Degas, Pissarro, Sisley, Renoir en zelfs van Manet. Hij begint hen te steunen en te exposeren in zijn Londense galerie, zij aan zij met de landschappen van Barbizon. Het is een stille maar beslissende wending: iemand gelooft in hen, iemand is bereid risico te nemen.

Terug naar Frankrijk

Na de oorlog is Parijs veranderd. De stad is getekend door de Commune en de bloedige repressie die erop volgde. Straten liggen in puin, het leven is duur en onzeker. Voor de schilders is het nog moeilijker geworden: Sisley is zijn familievermogen kwijtgeraakt, Degas reist naar familie in New Orleans, anderen proberen overeind te blijven. De geliefde schilderplekken rond Parijs, dorpen, parken, rivieroever, zijn verwoest door de strijd. Het is alsof de groep uit elkaar dreigt te vallen.

Nieuwe plannen

Het officiële Salon blijft intussen streng. Monet, Pissarro en Sisley doen niet eens meer mee. Zelfs een nieuw Salon des Refusés in 1873 biedt hen geen uitweg. De jonge kunstenaars beseffen dat ze niet langer kunnen wachten op erkenning van buitenaf. In december 1873 richten ze hun eigen coöperatie op: de Société anonyme des artistes peintres, sculpteurs et graveurs. Een anonieme vennootschap, opgericht door en voor kunstenaars. Het doel: zelf exposities organiseren, buiten de macht van de Académie om.

Het idee van een eigen expositie hangt al jaren in de lucht. In 1855, wanneer Courbet drie van zijn werken geweigerd ziet voor de Wereldtentoonstelling, zet hij zijn eigen Pavillon du réalisme neer, vlakbij de Avenue Montaigne. Daar toont hij bijna veertig doeken, waaronder L’Atelier du peintre en Un enterrement à Ornans. Jongere kunstenaars kijken ademloos toe: Manet, Pissarro, Whistler. Courbet zelf zal nooit de leider van een nieuwe beweging worden, maar hij geeft het voorbeeld.

Gustave Courbet, L’Atelier du peintre (1855)

In de jaren zestig groeit de opstand verder in de cafés van de Batignolles, rond Manet. Renoir en Bazille delen een atelier, Pissarro komt uit de voorsteden, Cézanne zoekt aansluiting. Ze dromen van vrijheid. “Il ne nous reste plus qu’à exposer nous-mêmes,” schrijft Bazille aan zijn ouders – er zit niets anders op dan zelf tentoon te stellen.

De oprichting

Op 27 december 1873 is het zover. In de ateliers van fotograaf Nadar, op de hoek van de rue Daunou en de boulevard des Capucines, zetten zes kunstenaars hun handtekening: Monet, Renoir, Sisley, Pissarro, Degas en Pierre Prins. Even later sluit ook Berthe Morisot zich aan. De coöperatie krijgt een eenvoudige naam: La Société anonyme des artistes peintres, sculpteurs et graveurs.

Het idee is zakelijk én idealistisch tegelijk. Een tiende van de opbrengsten van de verkochte werken zal naar de kas van de vereniging gaan. Pierre-Firmin Martin, door iedereen “Le Père Martin” genoemd, wordt voorlopig beheerder. Hij is één van de weinige handelaren die de groep steunt in deze moeilijke jaren, juist nu Durand-Ruel financieel in zwaar weer zit.

Een naam en een plek

Degas stelt voor de vereniging “La Capucine” te noemen, naar de boulevard waar Nadar zijn atelier heeft. Maar het klinkt te revolutionair, de titel van een oud strijdlied uit 1789. Dat schrikt het publiek misschien af, en dus blijft de naam sober en zakelijk.

De plek voor hun eerste tentoonstelling ligt al vast: de bovenzaal van Nadars atelier, die later bekend zal worden als de Anciens Salons Nadar, nummer 35, boulevard des Capucines. Hier zal in april 1874 geschiedenis worden geschreven.

35 Boulevard des Capucines in Parijs rond 1870, foto door Nadar

Schandaal en strijd

De vereniging houdt nog geen jaar stand. Op 14 oktober 1874 wordt ze alweer ontbonden. Maar in die paar maanden heeft ze het fundament gelegd voor iets groters: de allereerste impressionistische expositie.

Daarna volgen nieuwe schandalen. Bij een veiling in Hôtel Drouot wordt Berthe Morisot door een criticus uitgescholden voor prostituée. Pissarro deelt prompt een vuistslag uit. Het loopt uit op een vechtpartij waarbij de politie moet ingrijpen. Het is tekenend voor de strijd die deze kunstenaars moeten voeren: tegen de jury, tegen de pers, tegen de publieke opinie.

Maar met hun Société hebben ze de deur opengebroken. De kunstgeschiedenis is een nieuwe eeuw binnengestapt.

Vooravond van de eerste tentoonstelling

Zo is het 1874. Parijs herstelt langzaam van oorlog en opstand. In de ateliers wordt gewerkt, in de cafés worden plannen gesmeed. Monet, Renoir, Degas, Pissarro, Morisot, Cézanne en Sisley staan op het punt hun eigen weg te kiezen. Een nieuw hoofdstuk in de kunstgeschiedenis is nabij, de eerste impressionistische tentoonstelling.


Lees hier → deel 2 Impressionisme: een geschiedenis


0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *