, , , , , ,

100 beroemde beelden en schilderijen te zien in Musée d’Orsay

100 beroemde beelden en schilderijen te zien in Musée d'Orsay

100 beroemde beelden en schilderijen te zien in Musée d’Orsay

Midden in Parijs, in een voormalig treinstation aan de Seine, ligt een van de mooiste kunstmusea ter wereld: het Musée d’Orsay. Achter de iconische klok en het indrukwekkende glazen dak ontvouwt zich een collectie die de kunstgeschiedenis van de 19e eeuw tot leven brengt. Hier hangen en staan werken van grootheden als Monet, Van Gogh, Degas en Rodin—kunstenaars die de wereld anders leerden kijken.

In deze lijst nemen we je mee langs 100 beroemde schilderijen en beelden die je hier kunt bewonderen. Van dromerige landschappen en bruisende stadsgezichten tot intieme portretten en expressieve sculpturen: elk werk vertelt zijn eigen verhaal. Samen vormen ze een reis door het impressionisme en alles wat daaruit voortkwam—van realisme tot symbolisme en modernisme.

Of het nu gaat om een eerste kennismaking of een hernieuwd bezoek: deze selectie helpt je om niets te missen en met andere ogen naar de collectie te kijken. Stap binnen, kijk omhoog naar het licht dat door het dak valt, en laat je meevoeren langs honderd hoogtepunten van het Musée d’Orsay.


100 beroemde beelden en schilderijen te zien in Musée d’Orsay



Paul Albert Bartholomé – Monument aux morts (1895)

Paul Albert Bartholomé - Monument aux morts (1895)

Paul Albert Bartholomé – Monument aux morts (1895)

Albert Bartholomé Thiverval-Grignon, 4 augiustus 1848 – Parijs, 30 oktober 1928), verwerft bekendheid met monumentale grafwerken en funeraire beeldhouwkunst. Zijn Monument aux morts, ontworpen voor het Père-Lachaise in Parijs, geldt als zijn belangrijkste werk. Het monument stelt de mensheid voor aan de poorten van de dood in een ingetogen maar sterk emotioneel geheel. Bartholomé begint zijn loopbaan als schilder, maar schakelt na de dood van zijn vrouw over op beeldhouwkunst. Het Musée d’Orsay bezit werk van zijn hand, al is Ophelia minder goed gedocumenteerd binnen de collectie.


Antoine-Louis Barye – Hercule tuant les oiseaux du lac Stymphale (1855)

Antoine-Louis Barye - Hercule tuant les oiseaux du lac Stymphale (1855)

Antoine-Louis Barye – Hercule tuant les oiseaux du lac Stymphale (1855)

Antoine-Louis Barye (Parijs, 24 september 1796 – aldaar, 25 juni 1875) geldt als de grootste Franse dierensculpteur van de negentiende eeuw en werkt uiterst nauwkeurig op basis van anatomische studies. Dit bronzen reliëf toont Hercules tijdens zijn zesde werk: de verdrijving van de Stymfalische vogels. Barye combineert romantische energie met classicistische precisie. Zijn werk breekt met de geïdealiseerde academische traditie door dieren af te beelden in volle beweging, spanning en kracht. Het Musée d’Orsay bezit een uitgebreide collectie van zijn beelden.


Jean-Frédéric Bazille – L’Atelier de la rue de La Condamine (1870)

L'Atelier de Bazille - Frédéric Bazille (1870)

L’Atelier de Bazille – Frédéric Bazille (1870)<

Frédéric Bazille schildert zijn atelier aan de rue de La Condamine als een groepsportret van de vroege impressionistische kring in Parijs. De centrale figuur van Bazille zelf wordt later ingeschilderd door Édouard Manet. Het doek groeit uit tot een uniek document van de vriendschappen, discussies en ambities van een generatie kunstenaars vlak vóór hun grote doorbraak. Nog in hetzelfde jaar sneuvelt Bazille tijdens de Frans-Pruisische Oorlog, slechts 28 jaar oud.


Cecilia Beaux – Sita and Sarita (Jeune Fille au Chat) (1893)

Cecilia Beaux - Sita and Sarita (Jeune Fille au Chat) (1893)

Cecilia Beaux – Sita and Sarita (Jeune Fille au Chat) (1893)

Cecilia Beaux schildert dit dubbele portret van haar nicht Ernesta en haar kat in Philadelphia. Het werk behoort tot haar bekendste schilderijen en toont haar grote beheersing van licht en nuances van wit. Beaux groeit uit tot één van de meest gerenommeerde Amerikaanse portretschilderessen van haar tijd. Het schilderij combineert een intieme, huiselijke sfeer met een zelfverzekerde compositie. Het Musée d’Orsay bezit één werk van haar hand.


Émile Bernard – Madeleine au Bois d’Amour (1888)

Par Émile Bernard — Bridgeman Art Library : objet 39160, Domaine public, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=50408580

Par Émile Bernard — Bridgeman Art Library : objet 39160, Domaine public, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=50408580

Émile Bernard (Rijsel, 28 april 1868 – Parijs, 16 april 1941) is een Franse schilder die samen met Paul Gauguin in Pont-Aven een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van het synthetisme. Dit schilderij van zijn zus Madeleine in het bos geldt als één van zijn meest kenmerkende werken. Bernard gebruikt vereenvoudigde vormen en duidelijke contouren, een stijl die later bekend wordt als cloisonnisme. Later ontstaat er een conflict tussen Bernard en Gauguin over de vraag wie deze vernieuwende stijl als eerste heeft ontwikkeld. Het Musée d’Orsay bezit meerdere werken van Bernard, waaronder dit schilderij.


Rosa Bonheur – Labourage nivernais (Le Sombrage) (1849)

Rosa Bonheur – Labourage nivernais (Le Sombrage) (1849)

Rosa Bonheur – Labourage nivernais (Le Sombrage) (1849)

Rosa Bonheur (Bordeaux, 16 maart 1822 – Thomery, 25 mei 1899) schildert dit imposante ‘Ploegen in de Nivernais’ na een verblijf in de Nivernais, waar ze boeren en ossen nauwkeurig bestudeert. Het werk wordt op de Salon van 1849 met groot enthousiasme ontvangen en vestigt haar reputatie als de belangrijkste dierenschilderes van haar tijd. Bonheur behoort tot de eerste vrouwen die officieel toestemming krijgen om mannenkleding te dragen, wat haar de vrijheid geeft om markten en slachthuizen te bezoeken en daar dieren van dichtbij te observeren. Het monumentale schilderij heeft een formaat van bijna zes meter breed.


Pierre Bonnard – La Blouse à carreaux (1892)

Pierre Bonnard - La Blouse à carreaux (1892)

Pierre Bonnard – La Blouse à carreaux (1892)

Pierre Bonnard (Fontenay-aux-Roses, 3 oktober 1867 – Le Cannet, 23 januari 1947) schildert ‘De geruite blouse’ onder invloed van de Nabis-groep en de Japanse prentkunst. De opvallende geblokte blouse van het model geeft het doek een decoratief en bijna grafisch karakter. Bonnard staat bekend om zijn feloranje en gele interieurs en zijn bijzondere gevoel voor kleur als compositie-element. Dit schilderij markeert de overgang van zijn vroege, vlakkere stijl naar de warmere en kleurrijkere interieurs waarvoor hij later beroemd wordt. Het Musée d’Orsay bezit tegenwoordig een omvangrijke collectie werken van Bonnard.


Eugène Boudin – La Plage de Trouville (1864)

Eugène Boudin - La Plage de Trouville (1864)

Eugène Boudin – La Plage de Trouville (1864)

Boudin schilderde de stranden van Normandië met een onmiddellijkheid die Monet later als directe inspiratie erkende. Dit werk toont de modieuze Parijse bourgeoisie op het strand van Trouville, een populaire bestemming na de aanleg van de spoorweg. Boudin werkte consequent buiten en legde het veranderende licht van de kust vast in snelle penseelstreken. Hij werd wel de ‘koning van de luchten’ genoemd vanwege zijn uitzonderlijke wolkenstudies. Het Musée d’Orsay bezit 33 werken van zijn hand.


William-Adolphe Bouguereau – La Naissance de Vénus (1879)

Bouguereau was de meest succesvolle academische schilder van zijn tijd en werd door de impressionisten als hun tegenpolen beschouwd. Dit werk toont Venus omringd door nimfen en putti in een technisch perfecte, gepolijste stijl. Bouguereau beheersde het menselijk lichaam als weinig anderen en won talrijke prijzen op de Salon. Zijn werk viel lang uit de gratie maar kende een heropleving in de twintigste eeuw. Het Musée d’Orsay bezit 12 werken van zijn hand.


Louise Catherine Breslau – Portrait de Henry Davison (1904)

Louise Catherine Breslau - Portrait de Henry Davison (1904)

Louise Catherine Breslau – Portrait de Henry Davison (1904)

Breslau was een Zwitserse schilderes die in Parijs studeerde en exposeerde met de impressionisten. Zij bouwde een reputatie op als portrettiste van intellectuelen en kunstenaars. Dit portret van Henry Davison toont haar directe, psychologisch indringende aanpak. Breslau ontving in 1889 een gouden medaille op de Wereldtentoonstelling in Parijs. Het Musée d’Orsay bezit vier werken van haar hand.


 

Alexandre Cabanel – La Naissance de Vénus (1863)

Cabanel schilderde zijn Geboorte van Venus voor de Salon van 1863, hetzelfde jaar dat Manets Le Déjeuner sur l’herbe werd geweigerd. Napoleon III kocht het werk persoonlijk. De naakte Venus werd door de academie geaccepteerd waar Manet werd afgekeurd, wat de hypocrisie van de officiële kunstwereld blootlegde. Het doek gold als het toonbeeld van de academische schilderkunst. Het hangt in het Musée d’Orsay als pendant van Manets provocaties.


Gustave Caillebotte – Les Raboteurs de parquet (1875)

Les Raboteurs de parquet - Gustave Caillebotte

Les raboteurs de parquet – De vloerschrapers (1875) – Gustave Caillebotte

Caillebotte schilderde arbeiders die een parketvloer schuren in een Parijs herenhuis, een onderwerp dat de Salon van 1875 weigerde als te vulgair. Het werk valt op door zijn sterke perspectief, de korrelige textuur van het hout en de nauwkeurige weergave van het lichaam in arbeid. Caillebotte was ingenieur van opleiding en bracht een architectonische precisie mee naar zijn schilderkunst. Hij was ook een van de belangrijkste financiers van de impressionistische tentoonstellingen.


Jean-Baptiste Carpeaux – La Danse (1868)

Jean-Baptiste Carpeaux - La Danse (1868)

Jean-Baptiste Carpeaux – La Danse (1868)

De Franse beeldhouwer Jean-Baptiste Carpeaux (1827–1875) maakt dit reliëf voor de façade van de Palais Garnier in Parijs, maar het origineel bevindt zich tegenwoordig in het Musée d’Orsay vanwege beschadigingen door weer en wind. De uitgelaten dansende figuren veroorzaken bij de onthulling een schandaal door hun naaktheid en ongekende dynamiek.

Carpeaux breekt met de stijve neoklassieke beeldhouwkunst en brengt beweging, emotie en levendigheid terug in steen. Hij geldt als de invloedrijkste Franse beeldhouwer van de tweede helft van de negentiende eeuw. Het originele werk bevindt zich in het Musée d’Orsay, terwijl een kopie nog altijd de façade van de Opéra siert.


Jean-Baptiste Carpeaux – Ugolin et ses fils (1861)

Jean-Baptiste Carpeaux - Ugolin et ses fils (1861)

Jean-Baptiste Carpeaux – Ugolin et ses fils (1861)

Dit werk toont de Dante-figuur Ugolino della Gherardesca die met zijn zonen gevangen zit en de hongerdood nadert. Carpeaux werkte er jaren aan tijdens zijn verblijf aan de Villa Medici in Rome. De radeloze lichaamshouding en de verstrengelingen van de figuren geven het werk een dramatische kracht die de academische beeldhouwkunst overstijgt. Het werd bij presentatie in 1863 zowel bewonderd als aangevallen.


Eugène Carrière – Paul Verlaine (1890)

Eugène Carrière - Paul Verlaine (1890)

Eugène Carrière – Paul Verlaine (1890)

De Franse schilder Eugène Carrière (1849–1906) schildert in 1890 een beroemd portret van de dichter Paul Verlaine, een van de grote figuren van het symbolisme. Verlaine verblijft op dat moment ziek in het Hôpital Broussais in Parijs en vraagt Carrière om een portret voor de uitgave van zijn dichtbundel Choix de Poésies. De ontmoeting tussen schilder en dichter wordt geregeld door de symbolistische schrijver en criticus Charles Morice, die beide kunstenaars bewondert en hen ziet als vertegenwoordigers van een nieuwe symbolistische kunst.

Carrière schildert Verlaine niet als een publieke beroemdheid, maar als een mysterieuze, bijna geestelijke verschijning. Het gezicht doemt op uit een waas van bruine en grijze tonen, typerend voor Carrières atmosferische stijl. Tijdens de enige posesessie loopt Verlaine voortdurend pratend door het atelier terwijl Carrière onafgebroken doorwerkt. Volgens Charles Morice begrijpt Carrière de dichter beter dan wie ook: hij ziet achter Verlaine’s ruwe uiterlijk diens enorme gevoeligheid en melancholie. Het resultaat is een portret dat niet alleen een gelijkenis toont, maar ook de innerlijke kwetsbaarheid van de dichter zichtbaar maakt.

Twee dagen na de posesessie schrijft Verlaine zelfs een sonnet over het schilderij, dat verschijnt in de krant L’Événement. Het werk wordt al snel een belangrijk symbool binnen de symbolistische kunstwereld en hangt korte tijd bij kunsthandelaar Paul Durand-Ruel. Kunsthistoricus Pierre Pinchon noemt het later een van de mooiste Franse portretten van de negentiende eeuw. Toch lijkt Verlaine zelf later minder enthousiast over het schilderij, mogelijk omdat hij het snel had verkocht voor 500 francs aan schrijver en kunstcriticus Jean Dolent.

Na de dood van Dolent koopt de Franse staat het werk in 1910 voor het destijds recordbedrag van 22.000 francs. Dit werk geldt als één van de hoogtepunten van het symbolistische portret in Frankrijk. Tegenwoordig bevindt Verlaine zich in het Musée d’Orsay, dat 86 werken van Carrière bezit.


Mary Cassatt – La Mère et l’enfant (1890)

Mary Cassatt - La Mère et l'enfant (1890)

Mary Cassatt – La Mère et l’enfant (1890)

De Amerikaanse schilderes Mary Cassatt (1844–1926) is de enige Amerikaanse kunstenares die volwaardig deelneemt aan de impressionistische tentoonstellingen in Parijs. Haar moeder-en-kindscènes zijn sterk beïnvloed door Japanse prenten, zichtbaar in het hoge perspectief, de vlakke kleurvlakken en de verfijnde composities.

Cassatt schildert het dagelijks leven van vrouwen met een ernst, intimiteit en precisie die haar tijdgenoten niet altijd aan dit onderwerp geven. Zij richt zich niet op idealisering, maar op de stille psychologie en menselijke nabijheid van haar modellen. De Franse kunstenaar Edgar Degas is zowel haar mentor als bewonderaar en moedigt haar aan zich bij de impressionisten aan te sluiten. Het Musée d’Orsay bezit één werk van haar hand.


Théodore Chassériau – La Toilette d’Esther (1841)

Théodore Chassériau - La Toilette d'Esther (1841)

Théodore Chassériau – La Toilette d’Esther (1841)

De Frans-Dominicaanse schilder Théodore Chassériau schildert La Toilette d’Esther in 1841, op slechts 22-jarige leeftijd. Het werk toont al zijn uitzonderlijke combinatie van de precieze lijnvoering van zijn leermeester Jean-Auguste-Dominique Ingres en de rijke kleuren en exotische sfeer van Eugène Delacroix. Het schilderij verbeeldt een scène uit het Bijbelboek Esther: de jonge Esther bereidt zich voor op haar ontmoeting met de Perzische koning Ahasveros, die haar later tot koningin zal maken.

Esther zit centraal op het doek terwijl zij haar blonde haren ordent. Haar houding, met opgeheven armen en sierlijke lichaamslijnen, geeft het werk een sensuele en bijna erotisch geladen uitstraling. De halfnaakte figuur wordt omringd door kostbare stoffen, juwelen en dienaren, waardoor Chassériau een romantisch en geïdealiseerd Oosten oproept. Links brengt een dienares accessoires aan, terwijl rechts de eunuch Hégaï een sierkist aanbiedt. De schilder gebruikt het Bijbelse onderwerp als aanleiding voor een weelderige oriëntalistische fantasie vol kleur, luxe en mysterie.

Kunsthistorici zien in het werk zowel de invloed van Ingres’ odalisken als Chassériau’s bewondering voor Delacroix. Oorspronkelijk was de compositie zelfs bedoeld als rond schilderij, vergelijkbaar met Ingres’ latere Le Bain turc. Tegelijkertijd bezit het schilderij een opvallende psychologische en lichamelijke intensiteit. Sommigen herkennen in Esther zelfs trekken van Chassériau’s zussen, die vaak model stonden voor de vrouwenfiguren in zijn kunst.

Bij de presentatie op de Parijse Salon van 1842 wordt het werk niet volledig begrepen, maar later groeit het uit tot een van de beroemdste schilderijen van het Musée du Louvre. Kunsthistoricus Vincent Pomarède noemt het zelfs “een van de bekendste schilderijen van het Louvre”. Het werk inspireert later kunstenaars zoals Gustave Moreau en François-Léon Benouville. Chassériau sterft al op 37-jarige leeftijd, maar laat een klein en uitzonderlijk invloedrijk oeuvre na dat een brug vormt tussen neoclassicisme, romantiek en symbolisme.


Camille Claudel – La Valse (1889)

Camille Claudel - La Valse (1889)

Camille Claudel – La Valse (1889)

De Franse beeldhouwster Camille Claudel ontwikkelt als leerling, medewerker en geliefde van Auguste Rodin een geheel eigen beeldtaal die uiteindelijk zijn invloed overstijgt. In La Valse, de wals, toont zij een dansend koppel dat in een draaiende beweging lijkt op te gaan in ritme en muziek. De lichamen vloeien bijna samen terwijl de plooien van het gewaad als een wervelwind om de figuren heen draaien. Claudel weet steen en brons een uitzonderlijke beweeglijkheid en emotionele intensiteit te geven.

Het beeld wordt aanvankelijk geweigerd voor een officiële staatsbestelling omdat de naaktheid en sensualiteit als te gewaagd worden beschouwd. Op aandringen van de autoriteiten voegt Claudel later gedeeltelijk draperieën toe, maar de sensuele kracht van het werk blijft behouden. La Valse geldt tegenwoordig als een van de meesterwerken van de Franse beeldhouwkunst van het fin de siècle en laat zien hoe Claudel emotie, beweging en psychologische spanning in sculptuur weet te vangen.

Ondanks haar grote talent blijft Claudel lang in de schaduw van Rodin staan. Na een periode van artistieke en persoonlijke crises wordt zij in 1913 opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar zij de laatste dertig jaar van haar leven doorbrengt. Zij krijgt er nauwelijks nog de mogelijkheid om te werken of bezoekers te ontvangen. Tegenwoordig wordt Claudel erkend als een van de belangrijkste vrouwelijke beeldhouwers van de negentiende eeuw. Het Musée d’Orsay bezit meerdere werken van haar hand.


Camille Claudel – L’Âge mûr (ca. 1902)

Camille Claudel - L'Âge mûr (ca. 1902)

Camille Claudel – L’Âge mûr (ca. 1902)

Dit drieluik in brons toont een oude vrouw die een jonge man meesleurt terwijl een jongere vrouw smekend achterblijft. Het wordt algemeen gelezen als een autobiografische verwijzing naar Rodins breuk met Claudel ten gunste van zijn vaste partner Rose Beuret. Het werk heeft een emotionele directheid die in de beeldhouwkunst van die tijd zeldzaam is. Claudel werkte er jarenlang aan en zag het als haar meesterwerk.


Auguste Clésinger – Femme piquée par un serpent (1847)

Dit schokkende marmeren werk toonde een vrouw in stuiptrekkingen na een slangenbeet en veroorzaakte een schandaal op de Salon van 1847. Critici verdachten Clésinger ervan het lichaam letterlijk te hebben afgevormd van zijn model. De sensuele weergave stond ver af van de gebruikelijke geïdealiseerde naakten. Het werk werd desondanks aangekocht door de staat.


Jean-Baptiste-Camille Corot – Le Matin. La Danse des nymphes (1850)

Corot gold als de brug tussen de School van Barbizon en het impressionisme en beïnvloedde vrijwel elke landschapsschilder van zijn generatie. Dit werk toont dansende nimfen in een boslandschap in het zachte ochtendlicht waarvoor Corot beroemd is. Hij schilderde zijn landschappen vaak in lagen, waarbij atmosfeer altijd boven detail ging. Zijn zilvergrijze paletwerkte als een filter tussen natuur en toeschouwer. Het Musée d’Orsay bezit 32 werken van zijn hand.


Gustave Courbet – L’Atelier du peintre (1855)

Gustave Courbet, L'Atelier du peintre (1855)

Gustave Courbet, L’Atelier du peintre (1855)

Courbet schilderde dit gigantische doek als zijn artistiek testament en noemde het een ‘réelle allégorie’. Het toont hemzelf aan het werk, omringd door zijn vrienden en vijanden, zijn beschermheren en de maatschappij die hij bekritiseerde. Het werk werd geweigerd voor de Wereldtentoonstelling van 1855 en Courbet richtte een eigen paviljoen op om het te tonen. Het is een van de grootste en meest complexe schilderijen van de negentiende eeuw.


Gustave Courbet – Un enterrement à Ornans (1849-1850)

Gustave Courbet, Un enterrement à Ornans (1849-1850)

Gustave Courbet, Un enterrement à Ornans (1849-1850)

Courbet schilderde de begrafenis van zijn overgrootvader op een formaat dat normaal voor historische schilderijen was gereserveerd. De realistische weergave van gewone dorpelingen zonder verheffende compositie schokte de academische wereld. Het werk gold als het manifest van het realisme en maakte Courbet tot een controversiële figuur. Het staat vol portretten van identificeerbare inwoners van Ornans.


Gustave Courbet – L’Origine du monde (1866)

L'origine du monde / De oorsprong van de wereld - Gustave Courbet

Gustave Courbet – L’Origine du monde (1866)

Courbet schilderde dit werk in opdracht van de Ottomaanse diplomaat Khalil Bey als privébezit. Het toonde decennialang wat geen museum durfde te hangen. Het bleef jarenlang verborgen achter een schilderij van Magritte in de collectie van psychoanalist Jacques Lacan. Na zijn dood in 1981 bood zijn weduwe het aan de Franse staat aan als betaling van erfbelasting. Het Musée d’Orsay nam het in 1995 op en hangt het sindsdien in de vaste collectie.


Henri-Edmond Cross – Les Cyprès à Cagnes (1908)

Cross was een van de leidende figuren van het neo-impressionisme en werkte met Signac samen aan de ontwikkeling van het divisionisme. Dit landschap uit de Provence toont zijn late stijl waarbij kleurvlakken groter en losser worden. Cross vestigde zich in het zuiden van Frankrijk en werd beïnvloed door het felle mediterrane licht. Zijn werk had directe invloed op de vroege Matisse en de fauvisten. Het Musée d’Orsay bezit tien werken van zijn hand.


Paul Cézanne – Les Joueurs de cartes (1894)

De kaartspelers  / Les joueurs des cartes - Paul Cézanne - ci. 1890

De kaartspelers  / Les joueurs des cartes – Paul Cézanne – ci. 1890

Cézanne schilderde vijf versies van kaartspelende boeren uit de omgeving van zijn landgoed Jas de Bouffan. Deze versie, met twee figuren, geldt als de meest geconcentreerde en is een van de meest bestudeerde schilderijen in de kunstgeschiedenis. De compositie is als een architectonisch bouwwerk opgebouwd uit geometrische vlakken. Het werk beïnvloedde direct het kubisme van Picasso en Braque. Het Musée d’Orsay bezit 56 werken van Cézanne.


Charles-François Daubigny – La Moisson (1851)

Charles-François Daubigny - La Moisson (1851)

Charles-François Daubigny – La Moisson (1851)

Daubigny was een van de belangrijkste landschapsschilders van de School van Barbizon en een directe voorloper van het impressionisme. Dit grote doek toont de oogst op de vlakten van de Beauce in een directe, levensgroot formaat. Hij schilderde als een van de eersten consequent buiten en was bevriend met Monet en Pissarro. Zijn rivierboot, de Botin, diende als atelier. Het Musée d’Orsay bezit werk van zijn hand.


Honoré Daumier – La Blanchisseuse (ca. 1863)

Honoré Daumier - La Blanchisseuse (ca. 1863)

Honoré Daumier – La Blanchisseuse (ca. 1863)

Daumier was primair karikaturist maar zijn schilderijen tonen een andere, intieme kant. Deze wasvrouw draagt haar kind omhoog langs de kademuur van de Seine in een compositie van krachtige silhouetten. Het werk heeft de zware, sculpturale kwaliteit die kenmerkend is voor Daumier. Rodin bewonderde hem en vergeleek zijn kracht met Michelangelo. Het Musée d’Orsay bezit acht schilderijen van zijn hand.


Honoré Daumier – Portraits des Célébrités du Juste-Milieu (1832)

Deze reeks gebakken kleikoppen zijn karikaturen van politici uit het Juli-Monarchie tijdperk, gemaakt als basis voor lithografieën in het satirische blad La Caricature. Daumier modelleerde ze met grote snelheid en expressie. Ze golden als gevaarlijk politiek commentaar en brachten hem een gevangenisstraf op. Ze worden beschouwd als vroege meesterwerken van de politieke karikatuur in driedimensionale vorm. Het Musée d’Orsay bezit deze uitzonderlijke reeks.


Edgar Degas – La Classe de danse (1874)

La Classe de danse - Edgar Degas (1874)

La Classe de danse – Edgar Degas (1874)

Degas schilderde dit werk in opdracht van componist Jean-Baptiste Faure en toonde het repetitielokaal van de Parijse Opera met ballemeester Jules Perrot. De danseressen zijn niet in actie maar in rust: verveeld, moe, zichzelf krabbend. Degas had meer interesse in de harde realiteit van het balletberoep dan in de glamour van het podium. Hij schilderde naar schatting 1.500 werken over dit thema.


Edgar Degas – La Famille Bellelli (1858-1869)

Degas werkte meer dan tien jaar aan dit groepsportret van zijn tante en haar gezin in Florence. De compositie is strak en geometrisch maar de onderlinge verhoudingen tussen de figuren verraden spanning en vervreemding. De vader zit half afgewend, zijn gezicht verborgen. Het is een van de meest psychologisch indringende familieportretten uit de negentiende eeuw.


Edgar Degas – L’Absinthe (1875-1876)

L'Absinthe - Edgar Degas (1875–1876)

L’Absinthe – Edgar Degas (1875–1876)

Degas schilderde een man en een vrouw in een Parijse bar, ieder verzonken in eigen gedachten, met een glas absint voor de vrouw. Het werk werd aanvankelijk afgewezen als te somber en moreel twijfelachtig. De actrice Ellen Andrée en de schilder Marcellin Desboutin poseerden. De compositie met zijn afwijkende perspectief en het afgeknipte beeld verwijst naar de fotografie.


Edgar Degas – Petite danseuse de quatorze ans (ca. 1878-1881)

La Petite Danseuse de quatorze ans - Edgar Degas (1878–1881)

Edgar Degas – Petite danseuse de quatorze ans (ca. 1878-1881)

Dit was het enige beeldhouwwerk dat Degas bij zijn leven tentoonstelde, op de zesde impressionistische tentoonstelling in 1881. Het origineel was in was met echte haren, een linnen lijfje en een tutu van gaas. De reacties varieerden van fascinatie tot afschuw vanwege de naturalistische uitvoering. Na Degas’ dood in 1917 werden bronzen gietingen gemaakt; het wassen origineel bevindt zich in het Musée d’Orsay.


Alfred Dehodencq – Adieu de Boabdil à Grenade (1866)

Dehodencq schilderde de laatste Moors-Spaanse koning die Granada verlaat na de Reconquista in 1492. Hij verbleef lang in Spanje en Marokko en bracht een directe kennis van het Iberische en Noord-Afrikaanse leven mee naar zijn doeken. Het werk valt op door zijn dramatische compositie en het kleurgebruik dat meer aan Delacroix dan aan de academische traditie herinnert.


Eugène Delacroix – La Chasse aux lions (1854)

Eugène Delacroix - La Chasse aux lions (1854)

Eugène Delacroix – La Chasse aux lions (1854)

Delacroix schilderde meerdere versies van de leeuwenjacht, geïnspireerd door zijn reis naar Marokko in 1832. Dit doek toont de chaos van mannen en dieren in een wervelende compositie vol energie en kleur. Het werk geldt als een hoogtepunt van het Franse romantisme en had directe invloed op Renoir en Cézanne. Delacroix noemde Rubens zijn grote voorbeeld voor de weergave van geweld en beweging. Het Musée d’Orsay bezit vijf werken van zijn hand.


Maurice Denis – Hommage à Cézanne (1900)

Denis schilderde een groep schilders en schrijvers rondom een stilleven van Cézanne in het atelier van de kunsthandelaar Vollard. Zichtbaar zijn onder anderen Redon, Vuillard, Bonnard, Sérusier en Denis zelf. Het werk is een manifest van de Nabis-groep en hun schatplichtigheid aan Cézanne als de vader van de moderne schilderkunst. Denis formuleerde de bekende uitspraak dat een schilderij eerst een plat vlak is bedekt met kleuren.


André Derain – Le Pont de Charing Cross (1906)

André Derain, Pont de Charing Cross (ca. 1906)

André Derain, Pont de Charing Cross (ca. 1906)

Derain schilderde dit doek tijdens zijn verblijf in Londen in opdracht van kunsthandelaar Ambroise Vollard. Het werk toont de Theems in felle, onnatuurlijke kleuren die kenmerkend zijn voor het fauvisme. Derain en Matisse worden beschouwd als de grondleggers van deze kortstondige maar invloedrijke beweging. De compositie verwijst bewust naar Monet, die dezelfde brug twintig jaar eerder vastlegde. Het Musée d’Orsay bezit dit werk.


Édouard Detaille – Le Rêve (1888)

Detaille schilderde slapende Franse soldaten die in hun droom marcherende legers zien in de hemel boven hen. Het werk was een reactie op de Frans-Pruisische Oorlog van 1870 en de traumatische verlies van Elzas-Lotharingen. Het werd een van de meest populaire schilderijen van de Derde Republiek en hing in talloze scholen en openbare gebouwen. De romantische vaderlandsliefde was zowel de kracht als de kwetsbaarheid van het werk.


André Devambez – La Charge (1902)

André Devambez - La Charge (1902)

André Devambez – La Charge (1902)

Devambez schilderde een politieoptreden tijdens een demonstratie in Parijs met een perspectief dat meer aan cinematografie dan aan traditionele schilderkunst doet denken. De menigte vlucht weg van de camera in een compositie die de gevolgen van de industrialisatie en sociale onrust van de Belle Époque vastlegt. Het werk vertegenwoordigt een zeldzame directe politieke confrontatie in de schilderkunst van die periode.


Albert Edelfelt – Portrait de Pasteur (1885)

De Finse schilder Edelfelt maakte dit portret van Louis Pasteur in diens laboratorium aan de École Normale Supérieure. Het toont de wetenschapper geconcentreerd op een vloeistof in een fles, wat de nieuwe wetenschappelijke houding van observatie en experiment uitdrukt. Het werk werd internationaal een van de bekendste afbeeldingen van Pasteur. Edelfelt was bevriend met de Parijse kunstwereld en exposeerde regelmatig op de Salon.


James Ensor – La Dame en détresse (1882)

James Ensor - La Dame en détresse (1882)

James Ensor – La Dame en détresse (1882)

Ensor was een Belgische schilder die bekendstaat om zijn maskers en skeletten en een van de grondleggers van het expressionisme. Dit vroege werk stamt uit zijn realistische periode voor de maskers zijn intrede deden. Het Musée d’Orsay bezit geen werken van Ensor in de vaste collectie; zijn hoofdwerken bevinden zich in Belgische musea zoals het KMSKA in Antwerpen. Het werk wordt hier vermeld als referentie maar is niet bevestigd in de Orsay-collectie.


Henri Fantin-Latour – Un Atelier aux Batignolles (1870)

Fantin-Latour schilderde Manet in zijn atelier, omringd door vrienden en bewonderaars waaronder Renoir, Monet, Zola en Bazille. Het werk functioneert als een manifest van de nieuwe schildersgeneratie die de academische traditie uitdaagde. Manet zelf zit aan zijn ezel, als een soort meester van de groep. Het is een van de meest geciteerde groepsportretten uit de impressionistische periode.


Henri Fantin-Latour – Roses dans une coupe (1883)

Henri Fantin-Latour - Roses dans une coupe (1883)

Henri Fantin-Latour – Roses dans une coupe (1883)

Fantin-Latour gold als een meester van het bloemenstilleven en zijn werk was bijzonder geliefd in Engeland, waar hij talrijke particuliere opdrachtgevers had. Dit werk toont rozen in een eenvoudige kom met een directheid en tederheid die kenmerkend zijn voor zijn stijl. Hij schilderde bloemen niet als botanische studies maar als lichtende kleurvlakken. Het Musée d’Orsay bezit meerdere werken van zijn hand.


Paul Gauguin – Arearea (Joyeusetés) (1892)

Gauguin schilderde dit werk tijdens zijn eerste verblijf op Tahiti als deel van zijn poging te ontsnappen aan de Europese beschaving. Twee Tahitiaanse vrouwen zitten in de voorgrond terwijl op de achtergrond een rituele dans plaatsvindt bij een rode afgod. De kleuren zijn onnatuurlijk intens, de ruimte vlak en decoratief. Het werk symboliseert zijn romantische zoektocht naar een premoderne, ‘primitieve’ samenleving.


 

Paul Gauguin – Autoportrait au Christ jaune (1890-1891)

Paul Gauguin - Autoportrait au Christ jaune (1890-1891)

Paul Gauguin – Autoportrait au Christ jaune (1890-1891)

Paul Gauguin (Parijs, 7 juni 1848 – Atuona, Marquesas-eilanden, 8 mei 1903) schildert zichzelf voor zijn eigen doek Le Christ jaune, waarop een kruisiging in Bretonse volkskunststijl te zien is. Het zelfportret toont een kunstenaar die zichzelf vereenzelvigt met lijden, afzondering en martelaarschap. In 1890 verlaat Gauguin definitief de Parijse kunstwereld om zijn geluk elders te zoeken, uiteindelijk in Polynesië. Het schilderij drukt zijn overtuiging uit dat de ware kunstenaar een buitenstaander en outcast is.


François Gauzi – Lili Grenier en kimono (1888)

Gauzi was een vriend en studiegenoot van Toulouse-Lautrec en documenteerde diens leven in memoires. Dit werk toont Lili Grenier, vrouw van de schilder René Grenier, in een kimono in het atelier van Albert Grenier. Het is een bescheiden werk dat bekendheid ontleent aan zijn associatie met de Montmartre-kring. Het Musée d’Orsay bezit dit werk niet in de vaste collectie. Het wordt hier vermeld als verwijzing naar de kring rond Toulouse-Lautrec.


Armand Guillaumin – Soleil couchant à Ivry (1873)

Guillaumin schilderde de industriële buitenwijken van Parijs op een moment dat andere impressionisten liever landelijke onderwerpen kozen. Dit doek toont de haven van Ivry-sur-Seine in een overweldigende zonsondergang waarbij fabrieksschoorstenen en romantisch licht gelijkwaardig zijn. Wetenschappers maten later de lichtintensiteit en bevestigden de meteorologische nauwkeurigheid. Het werk hangt in het Musée d’Orsay als één van zijn meest representatieve.


Jean-Léon Gérôme – Le Combat de coqs (1846)

Jean-Léon Gérôme - Le Combat de coqs (1846)

Jean-Léon Gérôme – Le Combat de coqs (1846)

Jean-Léon Gérôme (Vesoul, 11 mei 1824 – Parijs, 10 januari 1904) schildert dit werk op 22-jarige leeftijd en verwerft er onmiddellijk bekendheid mee op de Salon van 1847. Het schilderij toont twee naakte Griekse jongeren die hun hanen laten vechten, een combinatie van een klassiek onderwerp en een sensuele uitbeelding die kenmerkend wordt voor zijn vroege werk. Gérôme groeit later uit tot één van de meest gerespecteerde oriëntalistische schilders van Frankrijk. Hij ontvangt de Légion d’Honneur en doceert tientallen jaren aan de École des Beaux-Arts.


Ferdinand Hodler – Der Holzfäller (Le Bûcheron) (1910)

Ferdinand Hodler - Der Holzfäller (Le Bûcheron) (1910)

Ferdinand Hodler – Der Holzfäller (Le Bûcheron) (1910)

Ferdinand Hodler (Bern, 14 maart 1853 – Genève, 19 mei 1918) ontwikkelt een stijl die hij zelf <em>parallellisme</em> noemt: een ritmische herhaling van figuren en lijnen als uitdrukking van een kosmische orde. Dit werk toont een houthakker in een gestileerde en bijna symmetrische houding, waardoor het schilderij eerder aan symbolisme dan aan realisme doet denken. Hodler oefent grote invloed uit op de Jugendstil en het vroege expressionisme. In zijn tijd groeit hij uit tot de meest internationaal erkende Zwitserse schilder.


Winslow Homer – Summer Night (1890)

Homer schilderde twee vrouwen die ’s avonds dansen op een rots boven de zee in Maine. Het werk combineert de romantiek van de nacht met de kracht van het water en heeft een bijna muzikale compositie. Homer was een van de grootste Amerikaanse realisten en schilderde de natuur van Nieuw-Engeland met directheid en ernst. Het werk werd in 1900 aangekocht door de Franse staat op de Parijse Wereldtentoonstelling. Het hangt in het Musée d’Orsay, het enige museum buiten de VS met een groot werk van Homer.


Peter Vilhelm Ilsted – Interior (1896)

Ilsted was een Deense schilder en graficus die bekendstaat om zijn stille interieurs in de traditie van Vermeer. Hij was de zwager van Vilhelm Hammershøi en deelde diens fascinatie voor licht in besloten ruimten. Het Musée d’Orsay bezit geen werken van Ilsted in de vaste collectie; zijn werk bevindt zich vooral in Deense musea. Het werk wordt hier vermeld als referentie maar is niet bevestigd in de Orsay-collectie.


Jean Auguste Dominique Ingres – La Source (1856)

La Source / De bron (1856) - Jean-Auguste-Dominique Ingres

La Source / De bron (1856) – Jean-Auguste-Dominique Ingres

Ingres begon dit werk rond 1820 maar voltooide het pas in 1856, op tachtigjarige leeftijd, met hulp van leerlingen. Het toont een naakte vrouw die een watervaas uitschenkt in een klassieke, geïdealiseerde compositie. Het werk werd direct na voltooiing door de staat aangekocht. Ingres gold als de tegenhanger van Delacroix: lijn tegenover kleur, rede tegenover gevoel. Het Musée d’Orsay bezit vier werken van zijn hand, zijn hoofdcollectie bevindt zich in het Louvre.


Johan Barthold Jongkind – La Seine et Notre-Dame de Paris (1864)

Jongkind was een Nederlandse schilder die zijn grootste werk in Frankrijk maakte en als directe voorloper van het impressionisme wordt beschouwd. Monet noemde hem een van zijn belangrijkste leermeesters. Dit stadsgezicht toont de Seine met Notre-Dame in een losse, atmosferische stijl die de weg baande voor de generatie na hem. Hij combineerde aquarel en olieverf en legde het licht op het water vast met een directheid die zijn tijd vooruit was. Het Musée d’Orsay bezit negen werken van zijn hand.


Maximilien Luce – Le Quai Saint-Michel et Notre-Dame (1901)

Luce was een overtuigd anarchist en neo-impressionist die Parijs schilderde vanuit het perspectief van de arbeider. Dit werk toont het leven aan de kade bij Notre-Dame in de puntjestechniek van het divisionisme. Luce was bevriend met Pissarro en Signac en participeerde actief in de socialistische beweging. Zijn werk verbindt politiek engagement met artistieke vernieuwing.


Aristide Maillol – La Méditerranée (1905)

Maillol keerde terug naar een klassieke, archaïsche beeldhouwtraditie als reactie op de dynamiek van Rodin. Dit zittende vrouwenfiguur, ook bekend als La Pensée, straalt rust en geometrische eenvoud uit. Het werk werd op de Salon van 1905 tentoongesteld en direct erkend als een mijlpaal in de beeldhouwkunst. André Gide schreef dat het zweeg ‘als een gelukkige bergschuur’.


Édouard Manet – Olympia (1863)

Olympia - Édouard Manet (1863)

Olympia – Édouard Manet (1863)

Manet schilderde een naakte courtisane die de toeschouwer recht aankijkt, met een zwarte bediende die bloemen aanreikt. De onverschillige blik van het model en het ontbreken van mythologische excuses veroorzaakten een groot schandaal op de Salon van 1865. Manet ontleende de compositie bewust aan Titiaans Venus van Urbino maar plaatste haar bruut in het heden. Het werk geldt als een van de keerpunten in de kunstgeschiedenis.


Édouard Manet – Le Déjeuner sur l’herbe (1863)

Édouard Manet - Le déjeuner sur l’herbe

Édouard Manet – Le Déjeuner sur l’herbe (1863)

Manet toonde een naakte vrouw picknickend tussen twee geklede mannen in een gewone bos, zonder mythologische rechtvaardiging. Het werk werd in 1863 geweigerd door de Salon en tentoongesteld op de Salon des Refusés. Criticus Louis Leroy noemde het amoreel maar het publiek stroomde toe. Manet ontleende de compositie aan een gravure naar Rafaël maar bracht het onderwerp genadeloos in de eigen tijd.


Édouard Manet – Berthe Morisot au bouquet de violettes (1872)

Manet schilderde zijn schoonzus en kunstzuster Berthe Morisot in een reeks van meer dan tien portretten. Dit werk toont haar ernstig en direct, met een zwarte hoed en een bosje viooltjes, in een compositie die aan de Spaanse schilderkunst herinnert. Morisot poseerde regelmatig voor Manet totdat ze in 1874 met zijn broer trouwde. De portretten tonen een complexe artistieke en persoonlijke relatie.


Henri Matisse – Luxe, Calme et Volupté (1904)

Henri Matisse - Luxe, Calme et Volupté (1904)

Henri Matisse – Luxe, Calme et Volupté (1904)

Matisse schilderde dit werk na een zomer in Saint-Tropez met Signac en paste de puntjestechniek van het neo-impressionisme toe. De titel komt uit een gedicht van Baudelaire. Het werk toont naakte vrouwen aan het strand in een decoratieve compositie die al vooruitwijst naar zijn latere fauvistische werken. Signac kocht het werk direct na voltooiing. Het Musée d’Orsay bezit het als een van de vroegste werken van Matisse in de collectie.


Jean-Louis-Ernest Meissonier – Campagne de France 1814 (1864)


Jean-François Millet – L’Angélus (1857)

Jean-François Millet - L'Angélus (1857)

Jean-François Millet – L’Angélus (1857)

Millet schilderde twee boeren die het Angelusgebed bidden op het veld bij het luiden van de kerkklok. Het werk werd bij voltooiing voor 1.000 frank verkocht maar bracht in 1889 bij een veiling 553.000 frank op. Salvador Dalí werd er zo door geobsedeerd dat hij liet röntgenen of er een doodskist onder begraven lag. Het is het beroemdste schilderij uit het Musée d’Orsay naast Manets Olympia. Het hangt er als vlaggenschip van de negentiende-eeuwse boerentraditie.


Claude Monet – La Gare Saint-Lazare (1877)

La Gare Saint-Lazare - Claude Monet (1877)

La Gare Saint-Lazare – Claude Monet (1877)

Monet schilderde zeven doeken van het interieur van het station Saint-Lazare in Parijs, gefascineerd door het licht dat door de stoomwolken filterde. Hij verkreeg toestemming van de stationsleiding om ter plekke te werken en liet treinen extra laat vertrekken voor het juiste effect. Het werk toont de industrie als landschap en keert de romantische traditie om. Vier van de zeven versies werden tentoongesteld op de derde impressionistische tentoonstelling. Het Musée d’Orsay bezit meerdere versies.


Claude Monet – Coquelicots (1873)

Les Coquelicots - Claude Monet (1873)

Les Coquelicots – Claude Monet (1873)

Monet schilderde dit werk in Argenteuil en stelde het een jaar later tentoon op de eerste impressionistische tentoonstelling. Het toont vermoedelijk zijn vrouw Camille en zoon Jean in een veld klaprozen. De rode verfvlekken zijn bewust te groot voor realistische bloemen maar kloppen als visuele indruk. Het werk werd een van de iconen van het impressionisme.


Claude Monet – Rue Montorgueil, à Paris, Fête du 30 juin 1878 (1878)

Cluade Monet - De Rue Montorgueil in Parijs. Feestdag op 30 juni 1878

Claude Monet – Rue Montorgueil, à Paris, Fête du 30 juin 1878 (1878)

Monet schilderde dit werk op één dag vanuit een balkonfenster tijdens de nationale feestdag ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De straat is gehuld in een woud van driekleurige vlaggen in een compositie van pure kleur en beweging. Het werk werd lang onbekend gehouden en verborgen in een privécollectie. Bij herontdekking in 1978 verraste het de kunstwereld.


Claude Monet – Londres, le Parlement, trouée de soleil dans le brouillard (1900-1904)

Monet verbleef meerdere winters in Londen en schilderde de rivier de Theems in de mist vanuit zijn kamer in het Savoy Hotel. De Houses of Parliament lost op in een atmosfeer van paars en goud. Monet werkte aan tientallen doeken tegelijk en voltooide ze in zijn atelier in Giverny op basis van geheugen en gevoel. De serie toont zijn overgang naar pure kleuratmosfeer. Het Musée d’Orsay bezit meerdere versies uit deze reeks.


Gustave Moreau – L’Apparition (1876)

Moreau schilderde de danseres Salomé die het visoen ziet van het zwevende hoofd van Johannes de Doper. Het werk combineert oriëntalistische decoratie met een symbolistische inhoud die de vrouw als gevaarlijk en fataal voorstelt. Moreau was de meest invloedrijke symbolistische schilder van zijn generatie en doceerde Matisse en Rouault. Huysmans beschreef zijn werk uitvoerig in zijn roman À rebours als de ultieme verfijning van de decadente verbeelding.


Gustave Moreau – Orphée (1865)

Gustave Moreau - Orphée (1865)

Gustave Moreau – Orphée (1865)

Moreau (Parijs, 6 april 1826 – aldaar, 18 april 1898)  toont in dit schilderij een jong Thracisch meisje dat het hoofd van de vermoorde Orpheus op diens lier meedraagt, geplaatst in een mysterieuze en dromerige landschapsetting. Het werk ontvangt op de Salon van 1866 bijzonder veel lof en vestigt Moreaus naam als meester van het symbolisme. De combinatie van een klassiek onderwerp, oriëntalistische details en een bijna droomachtige sfeer is typerend voor zijn oeuvre. Théophile Gautier prijst het schilderij zelfs als één van de mooiste werken van de Salon.


Berthe Morisot – Le Berceau (1872)

Le Berceau - Berthe Morisot (1872)

Berthe Morisot – Le Berceau (1872)

Morisot schilderde haar zuster Edma die over de wieg van haar pasgeboren dochter gebogen staat. Het werk werd tentoongesteld op de eerste impressionistische tentoonstelling van 1874 en geldt als haar bekendste schilderij. De compositie combineert de tederheid van het onderwerp met een losse, vrije penseelstreek. Morisot was de enige vrouw die deelnam aan de eerste tentoonstelling van de groep.


Berthe Morisot – Jour d’été (1879)

Morisot schilderde twee vrouwen in een roeiboot op het meer van het Bois de Boulogne. Het werk werd geschilderd in de zomer na de geboorte van haar dochter Julie. De modellen waren professionele, die ze ook in het park ontmoette zodat ze tegelijk voor haar kind kon zorgen. De compositie vertoont duidelijke invloed van de Japanse prent en Manets Canotage. Het Musée d’Orsay bezit negen werken van haar hand.


Edvard Munch – La Nuit d’été à Åsgårdstrand (1904)

Edvard Munch - La Nuit d'été à Åsgårdstrand (1904)

Edvard Munch – La Nuit d’été à Åsgårdstrand (1904)

Munch schildert het Noorse kustplaatsje Åsgårdstrand herhaaldelijk als een plek van melancholie, herinnering en heimwee. Dit werk toont het stille water en de witte nachten van de Noorse zomer in een sfeer van dromerige onrust. Munch staat vooral bekend om zijn expressionistische schilderijen, maar zijn latere werken worden rustiger en meer naturalistisch van karakter. Het Musée d’Orsay bezit één werk van zijn hand en is daarmee het enige grote Franse museum met een Munch in de vaste collectie.


Camille Pissarro – La Gelée blanche (1873)

Pissarro schilderde dit winterlandschap bij Pontoise als een van zijn meest directe pleinair-werken. De vorst op het veld wordt weergegeven in fijne, diagonale penseelstreken die de structuur van de aarde zichtbaar maken. Het werk werd tentoongesteld op de eerste impressionistische tentoonstelling in 1874. Pissarro was de enige schilder die aan alle acht impressionistische tentoonstellingen deelnam.


Camille Pissarro – Toits rouges, Coin d’un Village, Hiver (1877)

Les Toits rouges, coin de village, effet d'hiver - Camille Pissarro (1877)

Camille Pissarro – Toits rouges, Coin d’un Village, Hiver (1877)

Pissarro schilderde de rode daken van Pontoise in de winter vanuit een hoog perspectief dat de geometrie van het dorp blootlegt. Het werk is representatief voor zijn periode in Pontoise waar hij werkte naast Cézanne. De warme rode tinten van de dakpannen tegen de koele blauwe lucht geven het werk een bijzondere kleurspanning. Pissarro was de oudste van de impressionisten en fungeerde als mentor voor Cézanne, Gauguin en Van Gogh.


 

François Pompon – Ours blanc (1922-1933)

Pompon werkte tientallen jaren als assistent van Rodin voor hij op zijn zeventigste tot internationale bekendheid doorbrak met dit witte ijsberenbeeld. Het werk veroorzaakte een sensatie op de Salon d’Automne van 1922. De gestroomlijnde, bijna abstracte vormen van het dier anticiperen op de art deco. Pompon baseerde zich op jarenlange studie van levende dieren in de dierentuin van Vincennes. Het Musée d’Orsay bezit de grote bronzen versie.


Pierre Puvis de Chavannes – Jeunes Filles au bord de la mer (1879)

Puvis de Chavannes ontwikkelde een decoratieve muurschilderingsstijl die de kleurrijkdom van het impressionisme bewust vermeed ten gunste van een gedempt, fresco-achtig palet. Dit werk toont drie jonge vrouwen in een tijdloos, Arcadisch landschap aan zee. Het had grote invloed op Gauguin en de symbolisten. Seurat en Matisse bewonderden zijn compositietechniek. Het Musée d’Orsay bezit meerdere werken van zijn hand.


Odilon Redon – Le Bouddha (1905)

Redon schilderde een Boeddhaachtige figuur omringd door een explosie van kleur in pastels en olie. Het werk vertegenwoordigt zijn late periode waarin hij overstapte van zijn duistere zwart-witgrafiek naar een explosieve kleurrijkdom. Hij werd beschouwd als de meester van het symbolistische droomlandschap. Het Musée d’Orsay bezit 106 werken van zijn hand, de grootste collectie ter wereld.


Odilon Redon – Arbres sur fond jaune (1901)

Redon schilderde dit pasteltekening als deel van zijn overgang naar kleur in de jaren 1890. De bomen rijzen op tegen een gloeiend geel vlak dat meer aan decoratieve kunst dan aan landschapsschilderkunst doet denken. Redon noemde zijn werken ‘gesuggereerde kunst’ waarbij hij de toeschouwer uitnodigde zijn eigen betekenis te creëren. Het Musée d’Orsay bezit dit werk als deel van zijn omvangrijke Redon-collectie.


Pierre-Auguste Renoir – Bal au moulin de la Galette (1876)

Pierre-Auguste Renoir – Dance At The Moulin De La Galette

Pierre-Auguste Renoir – Dance At The Moulin De La Galette

Renoir schilderde dit werk buiten op locatie in de tuin van de Moulin de la Galette in Montmartre, terwijl de wind zijn doek dreigde weg te blazen. Het toont een typische zondagmiddag van de Parijse arbeidersklasse: dansen, drinken, flirten. De figuren zijn herkenbare vrienden en modellen van Renoir. Caillebotte kocht het werk en schonk het bij zijn dood aan de Franse staat. Het Musée d’Orsay beschouwt het als een van zijn topstukken.


Pierre-Auguste Renoir – Jeunes filles au piano (1892)

Renoir schilderde vijf versies van dit onderwerp nadat de Franse staat er één bestelde voor het Musée du Luxembourg. Het toont twee meisjes aan de piano in een huiselijk interieur dat de warmte en comfort van de bourgeoisie uitstraalt. Het werk markeert zijn overgang naar een zachtere, meer klassieke stijl na zijn ‘période aigre’. Het Musée d’Orsay bezit de versie die voor de staat was bestemd.


Auguste Rodin – La Porte de l’Enfer (1880)

Rodin werkte van 1880 tot zijn dood in 1917 aan dit bronzen poortreliëf, dat nooit werd voltooid voor zijn oorspronkelijke bestemming. Meer dan 180 figuren bevolken de deuren, gebaseerd op Dantes Goddelijke Komedie. Uit dit werk zijn tal van zelfstandige sculpturen voortgekomen, waaronder Le Penseur en Le Baiser. Het originele gipsmodel staat in het Musée d’Orsay; de eerste bronzen gietingen werden pas na zijn dood gemaakt.


Auguste Rodin – Saint Jean Baptiste prêchant (1878)

Afmetingen: 204 cm × 63 cm × 113 cm

Rodin maakte dit beeld van een voorwaarts schrijdende figuur op een moment dat hij zijn techniek van de niet-geïdealiseerde, levensechte weergave ontwikkelde. Het model was een Italiaanse boer uit de Abruzzen die spontaan bij hem binnenkwam. Het werk werd aanvaard op de Salon van 1880 en markeerde zijn definitieve doorbraak. Rodin liet bewust beide voeten op de grond staan wat anatomisch onmogelijk is maar de beweging versterkt. Het Musée d’Orsay bezit dit werk.


Auguste Rodin – L’Âge d’airain (1877)

Auguste Rodin - L'Âge d'airain (1877)

Auguste Rodin – L’Âge d’airain (1877)

Afmeting: 178 × 62 × 61,5 cm

Rodin maakte dit beeld zo levensecht dat hij ervan werd beschuldigd het rechtstreeks van een levend model te hebben afgevormd. De controverse bracht hem uiteindelijk meer bekendheid dan het werk zelf had kunnen doen. De figuur is een jonge man in een houding van ontwaken of overgave, zonder enig mythologisch attribuut. Het werk markeerde de breuk met de academische beeldhouwtraditie. Het Musée d’Orsay bezit dit vroege meesterwerk.


Henri Rousseau – La Guerre (La Chevauchée de la Discorde) (1894)

Henri Rousseau - La Guerre (La Chevauchée de la Discorde) (1894)

Henri Rousseau – La Guerre (La Chevauchée de la Discorde) (1894)

Rousseau, de autodidactische schilder ook wel Le Douanier genoemd, schilderde de oorlog als een vrouwenfiguur te paard die over een slagveld van naakte lijken rijdt. Het werk heeft de directheid en de naïviteit die zijn stijl kenmerken, maar ook een vreemde kracht. Picasso en de surrealisten bewonderden hem als de ‘primitieve’ meester die zijn verbeelding onbelemmerd kon uitdrukken. Hij ontving zijn bijnaam van zijn vroegere baan als douane-ambtenaar. Het Musée d’Orsay bezit drie werken van zijn hand.


Henri Rousseau – La Charmeuse de serpents (1907)

Rousseau schilderde dit junglelandschap nooit een jungle te hebben bezocht; zijn kennis van exotische dieren en planten ontleende hij aan het Jardin des Plantes in Parijs. Een naakte vrouw bezweert een slang in een weelderig nachtelijk boslandschap. Het werk werd besteld door Robert Delaunays moeder. De surrealisten beschouwden het als een droomlandschap avant la lettre. Het Musée d’Orsay bezit dit werk.


Georges Seurat – Le Cirque (1891)

Le cirque / Het circus (1891) - Georges Seurat

Le cirque / Het circus (1891) – Georges Seurat

Seurat schilderde dit werk in het jaar van zijn dood op 31-jarige leeftijd en liet het onvoltooid achter. Het toont een circusvoorstelling in zijn pointillistische techniek met de systematische kleurvlakken die hij divisionisme noemde. De gebroken lijn aan de rand is een bewuste keuze, geen onafheid. Seurat werkte zeven jaar aan zijn methode van optische kleurmenging. Het hangt als zijn testamentaire werk in het Musée d’Orsay.


Paul Signac – Les Femmes au puits (1892)

Signac was na de dood van Seurat de leider van de neo-impressionistische beweging. Dit werk toont vrouwen bij een waterput in de Provence in zijn rijpe puntjestechniek. Signac vestigde zich in Saint-Tropez en maakte van dat vissersdorp een kunstenaarskolonie. Zijn theoretische geschriften over kleur beïnvloedden direct Matisse en de fauvisten. Het Musée d’Orsay bezit 16 werken van zijn hand.


Alfred Sisley – L’Inondation à Port-Marly (1876)

Inondation à Port-Marly - Alfred Sisley (1876)

Alfred Sisley – L’Inondation à Port-Marly (1876)

Sisley schilderde de overstroming bij Port-Marly in zes doeken, alle zonder drama of paniek. De mensen in de boten gaan gewoon hun gang alsof de ondergelopen straten normaal zijn. Camille Pissarro prees dit werk een week voor Sisleys dood in een brief als een van zijn meest waardevolle. Het is een van de eerste werken van Sisley die bij een veiling een goede prijs opleverde.


Paul Sérusier – Le Talisman, la rivière Aven au Bois d’Amour (1888)

Sérusier schilderde dit kleine paneel op instructie van Gauguin in Pont-Aven: welke kleur is de schaduw? Puur violet. Welke kleur zijn de bladeren? Puur groen. Het resultaat was een bijna abstract kleurlandschap dat direct de Nabis-groep inspireerde. Het paneel diende als talisman en manifest voor zijn vrienden Bonnard, Denis en Vuillard. Het Musée d’Orsay beschouwt het als een van de sleutelwerken in de overgang naar de moderne schilderkunst.


Félix Vallotton – Misia à sa coiffeuse (1898)

Vallotton schilderde Misia Sert, de beroemde pianiste en muze van de Parijse avant-garde, voor haar kaptafel. Het werk heeft de vlakke, koele precisie die kenmerkend is voor zijn stijl, ver verwijderd van de impressionistische atmosfeer van zijn tijdgenoten. Vallotton was lid van de Nabis maar ontwikkelde een eigen, scherpe blik op het moderne leven. Misia poseerde ook voor Renoir, Toulouse-Lautrec en Bonnard. Het Musée d’Orsay bezit dit werk.


Édouard Vuillard – Dans l’intérieur (ca. 1893)

Vuillard schilderde huiselijke interieurs waarbij de menselijke figuren bijna opgaan in de patronen van behang, stoffen en tapijten. Dit vroege werk toont zijn kenmerkende aanpak waarbij ruimte en figuur onscheidbaar worden. Hij werkte jarenlang in nauwe samenwerking met zijn moeder, die een corsettennaaiatelier had, en omgaf zich met stoffen en decoratieve kunst. Het Musée d’Orsay bezit 70 werken van zijn hand, de grootste publieke Vuillard-collectie.


James McNeill Whistler – Arrangement en gris et noir n°1 – La Mère de l’artiste (1871)

James McNeill Whistler - Arrangement en gris et noir n°1 – La Mère de l'artiste (1871)

James McNeill Whistler – Arrangement en gris et noir n°1 – La Mère de l’artiste (1871)

Whistler schilderde zijn moeder zittend in profiel in een strenge, bijna abstracte compositie van grijs en zwart. Hij gaf het werk een muzikale titel om te benadrukken dat het om compositie en kleur gaat, niet om sentiment. Het werk werd in 1872 aanvaard op de Royal Academy na aanvankelijke weigeringen. De Franse staat kocht het in 1891 en het werd het enige werk van Whistler in een Frans nationaal museum. Het hangt in het Musée d’Orsay als een van zijn topstukken.


Henri de Toulouse-Lautrec – La Toilette (1896)

Toulouse-Lautrec schilderde een vrouw van achteren terwijl ze haar haar kamt, in een intiem formaat dat het dagelijkse leven van de vrouwen in de Montmartre-bordelen vastlegt. Het werk heeft de directheid van een studie maar de kracht van een volledig uitgewerkt schilderij. Lautrec woonde perioden lang in bordelen om zijn modellen te bestuderen zonder pose of masker. Het Musée d’Orsay bezit 18 werken van zijn hand.


Henri de Toulouse-Lautrec – Le Lit (ca. 1892)

Lautrec schilderde twee vrouwen liggend in bed, mogelijk lovers, in een compositie van uitzonderlijke intimiteit. Het werk is geschilderd in de slaapzaal van een Parijse bordeel waar hij langere tijd verbleef. De kleurcompositie in geel en wit heeft een warmte die afsteekt tegen het milieu. Het werk was een van zijn favorieten en bleef in zijn bezit. Het Musée d’Orsay bezit dit werk als onderdeel van zijn Montmartre-series.


Vincent van Gogh – La Chambre de Van Gogh à Arles (1888)

>Vincent van Gogh - La Chambre de Van Gogh à Arles (1888)

Vincent van Gogh – Slaapkamer in Arles, (oktober 1888)

Van Gogh schilderde zijn slaapkamer in het Gele Huis in Arles als symbool van rust en eenvoud. Hij schreef aan zijn broer Theo dat de kleuren de absoluut eenvoudige rust moesten uitdrukken. Hij maakte drie versies, de eerste in 1888 na een vloed, de andere twee in 1889 in de psychiatrische instelling Saint-Paul-de-Mausole. Het Musée d’Orsay bezit de eerste versie.


Vincent van Gogh – La Nuit étoilée sur le Rhône (1888)

100 belangrijkste Nederlandse kunstenaars

Vincent van Gogh – Sterrennacht boven de Rhône

Van Gogh schilderde de sterrenhemel boven de Rhône in Arles met het licht van de stad dat op het water weerspiegelt. Dit werk, te onderscheiden van de beroemde Sterrennacht uit 1889 die in het MoMA hangt, toont een meer aardse nachtatmosfeer. Van Gogh schreef aan Theo dat hij behoefte had de nacht te schilderen met dezelfde kracht als de dag. Het hangt in het Musée d’Orsay en wordt vaak verward met de New Yorkse versie.


Vincent van Gogh – L’Église d’Auvers-sur-Oise (1890)

De kerk van Auvers - Vincent van Gogh, juni 1890

Vincent van Gogh – De kerk van Auvers – (juni 1890)

Van Gogh schilderde dit werk in de laatste weken van zijn leven in Auvers-sur-Oise, de periode ook van zijn portret van dokter Gachet. De kerk golft en beweegt alsof ze leeft, de lucht is van een dreigend kobaltblauw. Hij schreef aan zijn zus Wil dat het ‘een effect van droevig paars’ had. Twee maanden later schoot hij zichzelf neer op de velden vlakbij.


Vincent van Gogh – Portrait de l’artiste (1887)

Van Gogh schilderde meer dan dertig zelfportretten in zijn korte carrière als schilder, waarmee hij tot de productiefste zelfportrettisten in de kunstgeschiedenis behoort. Het Musée d’Orsay bezit meerdere zelfportretten, waaronder een uit de Parijse periode van 1887. In die periode nam hij de puntjestechniek van de impressionisten en neo-impressionisten op en verwerkte die in zijn eigen, steeds expressiever wordende stijl. Het is een van de bekendste werken in de Orsay-collectie.


Théo van Rysselberghe – La Lecture (1903)

Théo van Rysselberghe - La Lecture (1903)

Théo van Rysselberghe – La Lecture (1903)

De Belgische neo-impressionist Van Rysselberghe schilderde een bijeenkomst van intellectuelen en kunstenaars bij een voorlezing. Herkenbaar zijn onder anderen de dichter Émile Verhaeren en de schrijver André Gide. Het werk combineert de puntjestechniek met een compositie die aan de Renaissance-groepsportretten herinnert. Van Rysselberghe was de belangrijkste vertegenwoordiger van het neo-impressionisme in België. Het Musée d’Orsay bezit zes werken van zijn hand.


 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *