Top 100 belangrijkste schilderijen van het Impressionisme
Top 100 belangrijkste impressionistische schilderijen
De kleuren die het licht vangen — de 100 mooiste impressionistische schilderijen
Het is een belediging die geschiedenis schrijft. Als criticus Louis Leroy in 1874 spottend het woord “impressionisme” munt naar aanleiding van Monets Impression, soleil levant, bedoelt hij het als afkeuring. Onaf. Slordig. Niet serieus. De schilders pikken de term op, dragen hem trots en veranderen daarmee de koers van de westerse kunst, voor altijd.
Wat volgt is geen stijl, maar een aardverschuiving. Monet schildert dezelfde hooiberg tientallen keren om te begrijpen hoe licht werkt. Degas bestudeert de menselijke beweging met een obsessie die eerder aan wetenschap doet denken dan aan kunst. Mary Cassatt, als vrouw grotendeels genegeerd door het establishment, legt met verbluffende precisie vast wat niemand de moeite waard vindt te schilderen: het gewone leven van gewone mensen.
Ze werken snel, buiten, in het volle daglicht, en dat is op zich al een provocatie. Verf rechtstreeks uit de tube. Zichtbare penseelstreken. Schaduwen in blauw en paars in plaats van zwart. Elke keuze is een aanval op wat de academie heilig verklaart.
Meer dan 150 jaar later hangen hun doeken in de Musée d’Orsay, het Art Institute of Chicago en het Rijksmuseum, en trekken ze jaar na jaar meer bezoekers dan welke andere stroming ook. De rebellie wint. En de vraag is niet langer óf impressionisme grote kunst is, maar welke werken het grootst zijn.
Dit zijn de 100 schilderijen die het antwoord het dichtst benaderen.
Top 100 belangrijkste schilderijen van het Impressionisme
1. Impression, soleil levant – Claude Monet (1872)
Impressie, zonsopgang
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 48 × 63 cm
Te zien in: Musée Marmottan Monet | Parijs
De zon staat nog maar net op boven de haven van Le Havre als Monet zijn kwast neerzet. Het water beweegt. De mist hangt laag. En in dat vluchtige, ongrijpbare moment, ergens tussen nacht en dag, vangt hij iets wat geen fotograaf hem nadoet.
Het is 1872. Monet is tweeëndertig jaar en logeert in zijn geboortestad. Hij schildert het doek in één sessie, buiten, in het vroege ochtendlicht, precies zoals de impressionisten het voorstaan. Geen schetsen, geen voorbereiding, geen academische opbouw. Alleen het moment, de hand en het oog. Wat hij neerzet is ogenschijnlijk eenvoudig: de industriële haven in de mist, twee roeibootjes op het donkere water, fabrieksschoorstenen die opgaan in een bleke hemel. En dan die zon, een kleine, felle vlek oranje die het hele doek in beweging zet. Wetenschappers maten later de lichtintensiteit op het schilderij en concludeerden dat Monet de zon nauwkeurig had weergegeven: ze is precies zo fel als ze kort na zonsopgang hoort te zijn, niet feller. Geen dramatisch effect. Gewoon de waarheid.
Maar onder die waarheid zit een spanning. De haven van Le Havre is geen romantisch decor, het is een industrieel knooppunt, vol stoom, staal en scheepvaart. De schoorstenen op de achtergrond zijn geen bijzaak; ze zijn de nieuwe wereld die zich opdringt. Monet zet ze neer zonder oordeel, maar ook zonder te verhullen.
Het schilderij leeft precies op de grens tussen het oude en het nieuwe Frankrijk, tussen het landschap dat verdwijnt en de industrie die het vervangt. Die oranje zon schijnt over beide tegelijk. Er zit ook iets dieper persoonlijks in. Le Havre is de stad waar Monet opgroeit, waar hij voor het eerst leert tekenen, waar alles begint. Dit is geen willekeurige haven. Het is een thuiskomst en tegelijk een afscheid, want de stad verandert sneller dan herinneringen bijhouden kunnen.
Twee jaar later hangt het op de eerste tentoonstelling van de groep, in het atelier van fotograaf Nadar aan de Boulevard des Capucines in Parijs. Criticus Louis Leroy gebruikt de titel om de hele beweging te bespotten. De schilders lachen terug. En de naam blijft. In 1985 wordt het doek gestolen uit het Musée Marmottan in Parijs, samen met negen andere werken, door een bende die het museum binnenvalt terwijl het gewoon open is. Vijf jaar lang is het spoorloos. In 1990 duikt het op in een villa op Corsica. Onbeschadigd.
2. Bal du moulin de la Galette – Pierre-Auguste Renoir (1876)
Bal in de Moulin de la Galette
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 131 × 175 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Renoir schildert dit in 1876, op locatie, in de openlucht van de Moulin de la Galette, terwijl de wind zijn doek dreigt weg te blazen. De werklui van Parijs hebben hun beste kleren aangetrokken. Ze dansen, ze drinken, ze eten galettes, ze lachen met mensen die ze misschien pas een uur kennen. Het licht valt door de bomen en bespikkelt alles met vlekken van goud en schaduw. Het is een van de mooiste middagen die ooit op doek is gezet.
Renoir heeft een atelier gehuurd in een verlaten huis in de rue Cortot, vlakbij de molen, met een tuin die zijn vriend Georges Rivière omschrijft als een mooi verlaten park. Vanuit die basis werkt hij maandenlang aan het schilderij, samen met zijn vrienden die ook poseren: schilders, schrijvers, modellen, vaste bezoekers van de Moulin. Rivière identificeert ze later een voor een.
De meisjes in de gestreepte jurk op de voorgrond zijn Estelle, zus van Jeanne Samary, die elke zondag met haar hele familie naar de Moulin komen. De Cubaanse schilder Don Pedro Vidal de Solares y Cardenas danst in het midden met het model Margot, die hem probeert te leren ontspannen met polka’s en twijfelachtige liedjes in het Parijse straattaal. Twee jaar later sterft Margot aan tyfus. Renoir betaalt haar behandeling en haar begrafenis.
Het schilderij wordt in 1877 tentoongesteld op de Salon en ontvangt lovende kritieken. Caillebotte koopt het en bezit het tot zijn dood in 1894, waarna het als erfbelasting naar de Franse staat gaat. Het hangt nu in het Musée d’Orsay.
Er bestaat een kleinere versie, vrijwel identiek maar losser geschilderd. In 1990 gaat die voor 78 miljoen dollar naar de Japanse zakenman Ryoei Saito, die internationaal verontwaardiging wekt met de mededeling dat hij van plan is het schilderij bij zijn dood te laten cremeren. Als zijn bedrijven in financiële moeilijkheden komen, verdwijnt het doek stilletjes naar een anonieme Zwitserse koper.
3. Le Déjeuner sur l’herbe – Édouard Manet (1863)
De lunch op het gras
Édouard Manet – Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 208 × 264 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Het is 1863 en het Parijse Salon heeft zojuist een schilderij geweigerd. Niet vanwege de techniek. Niet vanwege de compositie. Maar vanwege de blik. Een vrouw zit naakt in een bos, tussen twee volledig geklede mannen in moderne pakken. Ze kijkt niet weg. Ze kijkt recht in de ogen van de toeschouwer, onverschillig, uitdagend, volkomen op haar gemak. Naast haar ligt een omgevallen mand met fruit. Op de achtergrond baadt een tweede vrouw in een vijver. Het is een picknick. Het is een schandaal. Het is Le Déjeuner sur l’herbe.
Édouard Manet (Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883) weet wat hij doet. Hij ontleent zijn compositie aan de groten, Rafaël, Titiaan, Watteau, maar trekt hun wereld bruut de negentiende eeuw in. Waar naakten in de academische schilderkunst acceptabel zijn zolang ze godinnen of muzen zijn, plaatst Manet een herkenbare vrouw, zijn vaste model Victorine Meurent, midden in een alledaagse scène. Geen mythologie als excuus. Geen allegorie als schild. Gewoon: dit is hoe het er werkelijk aan toe gaat.
De kritiek is meedogenloos. Het publiek ziet prostituees. Het ziet obsceniteit. Het ziet precies wat Manet wil dat het ziet, de hypocrisie van een samenleving die naaktheid in musea verheerlijkt en op straat veroordeelt. Émile Zola begrijpt het als een van de weinigen: voor hem is het schilderij geen morele provocatie maar een puur schilderkunstig statement, licht, contrast, vlees tegen stof, figuren in een landschap.
En technisch is het inderdaad radicaal. De perspectiefregels worden gebroken. De achtergrond lijkt eerder een decor dan een echt bos. De penseelstreken zijn zichtbaar, de overgangen abrupt. Alles wat de academie heilig verklaart, schendt Manet hier, niet per ongeluk, maar als manifest.
Le Déjeuner sur l’herbe is geen impressionistisch schilderij in de strikte zin. Maar zonder dit doek, zonder deze blik, zonder dit schandaal is er geen impressionisme. Het is het schot voor de boeg, de aankondiging dat de schilderkunst zichzelf opnieuw gaat uitvinden.
De vrouw kijkt nog steeds terug. En ze lijkt zich nog steeds geen moment te schamen.
4. La Classe de danse – Edgar Degas (1874)
De dansklas
Hilaire Germain Edgar (Edgar) Degas – Parijs, 19 juli 1834 – aldaar, 26 september 1917
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 85 × 75 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Een meisje krabt haar rug. Een ander speelt met haar jurk. Twee danseressen fluisteren met elkaar. Op de achtergrond, langs de muur, zitten de moeders te wachten. Alleen in het midden van de zaal staat één danseres echt te dansen, onder de kritische blik van Jules Perrot, de oude ballemeester die met zijn stok op de vloer leunt en kijkt met de uitdrukking van een man die alles al heeft gezien en weinig meer verwacht.
Edgar Degas schildert La Classe de danse tussen 1874 en 1876, in opdracht van de componist Jean-Baptiste Faure. Het is een van de meest gedetailleerde en doordachte schilderijen uit zijn enorme balletoeuvre, want Degas schildert ballet zijn hele leven: geschat worden zo’n 1.500 werken over dit onderwerp, van zijn eerste balletscène in 1866 tot aan het einde van zijn carrière. Geen schilder heeft het balletleven zo grondig en zo eerlijk vastgelegd.
Want eerlijk is het. Degas houdt niet van de voltooide voorstelling, van het licht en het spektakel van het podium. Hij houdt van de repetitie, van wat er in de coulissen gebeurt, van het harde, herhaalbare, slopende werk achter de elegantie. Hij noteert hoe een lint wordt gestrikt, hoe een rok valt, hoe vermoeidheid eruitziet in een schouder. Hij schildert de danseressen zoals ze zijn: niet als sprookjesfiguren maar als werkers.
Jules Perrot is in werkelijkheid al lang vertrokken bij de Parijse Opéra als Degas hem schildert. Zijn contract is niet verlengd. Hij geeft nu privéles. Degas schildert hem opnieuw in zijn oude autoriteit, midden in de zaal, omringd door danseressen. Sommigen lezen het als een eerbetoon, als een herstel van de waardigheid van een oude meester.
Perrot was aanvankelijk een andere man in de compositie: Degas heeft hem letterlijk over een andere figuur heen geschilderd. Het doek bevat meer lagen dan je ziet. Dat geldt ook voor wat het toont.
5. Nymphéas (reeks) – Claude Monet (1914–1926)
Waterlelies (reeks)
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: ca. 200 × 425 cm (per paneel)
Te zien in: Musée de l’Orangerie | Parijs
In de jaren 1890 laat Claude Monet bij zijn huis in Giverny een tuin aanleggen, compleet met een vijver, een Japanse brug en waterlelies. Wat volgt is een van de meest obsessieve artistieke projecten uit de kunstgeschiedenis. Monet schildert hetzelfde water, dezelfde bloemen, hetzelfde licht, tientallen, uiteindelijk honderden keren. Alleen al tussen 1899 en 1900 ontstaan achttien verschillende versies.
Het gaat hem niet om de waterlelie. Het gaat hem om wat het water doet met het licht, en wat het licht doet met de tijd. De vijver heeft geen horizon, geen lucht, geen vaste oriëntatie. Alleen een oppervlak dat voortdurend verandert, en een schilder die probeert dat veranderen vast te houden. Tegen het einde van zijn leven, als zijn ogen hem steeds meer in de steek laten, wordt het project groter dan ooit. Tussen 1914 en 1926 werkt Monet aan een serie enorme muurschilderingen voor het Musée de l’Orangerie in Parijs, acht panelen die samen een panorama van bijna negentig meter vormen. Grotendeels blind schildert hij ze vermoedelijk uit zijn geheugen. Hij schenkt ze aan zijn goede vriend Georges Clemenceau, als eerbetoon aan de vrede na de Eerste Wereldoorlog.
Het zijn geen schilderijen meer in de traditionele zin. Je hangt er niet voor, je staat er middenin. De bezoeker verdwijnt in het water. Nymphéas hangt verspreid over de wereld, van het Musée d’Orsay en het MoMA in New York tot de Neue Pinakothek in München. Eén versie, Bassin aux nymphéas et sentier au bord de l’eau uit 1900, brengt in 1998 bij Sotheby’s bijna twintig miljoen pond op, op dat moment het hoogste bedrag ooit voor een werk van Monet.
6. Le Berceau – Berthe Morisot (1872)
De wieg
Berthe Marie Pauline Morisot – Bourges, 14 januari 1841 – Parijs, 2 maart 1895
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 56 × 46 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
7. Le Déjeuner des canotiers – Pierre-Auguste Renoir (1880–1881)
De lunch van de roeiers
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 130 × 173 cm
Te zien in: The Phillips Collection | Washington D.C.
8. Olympia – Édouard Manet (1863)
Olympia
Édouard Manet – Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 130 × 190 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
9. Rue de Paris, temps de pluie – Gustave Caillebotte (1877)
Parijse straat, regenachtig weer
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 212 × 276 cm
Te zien in: Art Institute of Chicago | Chicago
10. La Gare Saint-Lazare – Claude Monet (1877)
Het station Saint-Lazare
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 75 × 104 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
11. L’Absinthe – Edgar Degas (1875–1876)
De absint
Hilaire Germain Edgar (Edgar) Degas – Parijs, 19 juli 1834 – aldaar, 26 september 1917
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 92 × 68 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
12. Boulevard Montmartre, effet de nuit – Camille Pissarro (1897)
Boulevard Montmartre, nachteffect
Jacob Abraham Pizarro – Charlotte Amalie, 10 juli 1830 – Parijs, 12 november 1903
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 54 × 65 cm
Te zien in: The National Gallery | Londen
13. Un bar aux Folies Bergère – Édouard Manet (1882)
Een bar in de Folies-Bergère
Édouard Manet – Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 96 × 130 cm
Te zien in: The Courtauld Gallery | Londen
14. Les Coquelicots – Claude Monet (1873)
De klaprozen
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 50 × 65 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Het is zomer in Argenteuil en het veld staat in brand. Niet echt, maar bijna: rode klaprozen zo ver het oog reikt, grote vlekken vuurrood tegen het groen, geschilderd met een kwast die niet aarzelt.
Claude Monet schildert dit in 1873, twee jaar na de Frans-Duitse Oorlog die hem naar Londen had gedreven. Hij is terug in Frankrijk, getrouwd met Camille, vader van de kleine Jean, en woonachtig in Argenteuil, een van die stadjes langs de Seine waar de spoorwegen de gegoede Parijzenaar naartoe hebben gebracht en de impressionisten de ruimte hebben gevonden om buiten te werken. Hij schildert er alles: de rivier, de regatta’s, de tuinen. En dit veld.
Op de voorgrond loopt waarschijnlijk Camille, parasol in de hand, Jean naast haar met een boeket klaprozen. Iets hoger op een heuvel staan nog een vrouw en een kind, bijna identiek aan het eerste paar, alsof Monet hen twee keer heeft neergezet om de diagonaal van de compositie te voltooien. Het is geen naturalistische weergave maar een visuele constructie: de rode stippen op de voorgrond zijn veel te groot voor echte klaprozen, maar ze kloppen volledig als indruk, als gevoel, als wat je ziet als je je ogen een moment sluit na een wandeling in de zomer.
Een jaar later hangt het schilderij op de eerste impressionistische tentoonstelling in het atelier van fotograaf Nadar in Parijs, de tentoonstelling die Louis Leroy inspireert tot zijn spottende recensie en daarmee onbedoeld een beweging een naam geeft. Klaprozen hangt er tussen de werken van Degas, Renoir, Pissarro en Sisley. De kritiek is gemengd. Het publiek begrijpt het nog niet helemaal.
15. La Loge – Pierre-Auguste Renoir (1874)
De loge
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 80 × 64 cm
Te zien in: The Courtauld Gallery | Londen
Parijs, 1874. Het doek is nog maar net droog als het aan de muur van Nadars atelier hangt, tussen de werken die de critici zullen bespotten en de naam impressionisme zullen uitvinden. Maar De Loge oogst bewondering. Zelfs de sceptici zien het.
Een vrouw zit vooraan in een theaterloge, haar arm op de leuning, haar blik recht op de toeschouwer gericht. Ze draagt een zwart-witte japon, parels om haar hals, bloemen in het haar en op haar jurk. Achter haar leunt een man met zijn toneelkijker, niet naar het toneel maar naar de andere loges. Hij kijkt naar de wereld. Zij kijkt terug naar ons.
Het zijn geen grande dames of heren van stand. De vrouw is Nini Lopez, een meisje uit Montmartre dat de weinig vleiende bijnaam Gueule en raie, roggenkop, draagt en vaker voor Renoir zal poseren. De man is zijn broer Edmond. Maar op het doek zijn ze de belichaming van de Parijse bourgeoisie: elegant, zelfbewust, verankerd in het strakke net van sociale conventies dat het theaterleven dicteert.
Renoir schildert geen psychologie. Hij schildert porseleinen huid, losjes maar precies, de glans van de parels, de zachtheid van het bont, de manier waarop het licht de bloemen raakt. Het is een schilderij over zien en gezien worden, en Renoir weet precies aan welke kant van die vergelijking zijn toeschouwer staat.
De herkomst vertelt zijn eigen verhaal. Na de tentoonstelling verkoopt Renoir het voor 425 frank aan een kleine handelaar. Jaren later koopt Durand-Ruel het terug voor 7.500 frank en houdt het lang in eigen bezit. In 1922 gaat het voor 22.000 pond naar Samuel Courtauld in Londen. Het hangt nu in de Courtauld Gallery, als een van de topstukken van de collectie.
16. L’Étoile – Edgar Degas (1878)
De sterdanseres
Hilaire Germain Edgar (Edgar) Degas – Parijs, 19 juli 1834 – aldaar, 26 september 1917
Materiaal: Pastel op monotype
Afmeting: 58 × 42 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
17. Inondation à Port-Marly – Alfred Sisley (1876)
Overstroming in Port-Marly
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 60 × 81 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
De Seine is buiten haar oevers getreden en Port-Marly staat onder water. Boten varen door de straten. Het huis van de wijnhandelaar steekt boven het wateroppervlak uit. En Alfred Sisley schildert het alsof er niets bijzonders aan de hand is.
In het voorjaar van 1876 legt Sisley de overstroming in zes schilderijen vast. Geen paniek, geen drama, geen mensen die vluchten of jammeren. De schaars geschilderde figuren in de bootjes lijken gewoon hun dagelijkse bezigheden uit te voeren, alsof de rivier door de straten varen de gewoonste zaak van de wereld is. Sisley kijkt naar de overstroming zoals hij naar alles kijkt: als een landschap, als een kwestie van licht en water en lucht.
Want dat is waar het hem om gaat. Het water neemt het grootste deel van het doek in beslag, geschilderd met brede penseelstroken die de steeds veranderende reflecties proberen te vangen. Daarboven een hemel die op het ene doek dreigend grijs is en op het andere lichter, bijna hoopvol. Het huis van de wijnhandelaar, het vaste ankerpunt in beide composities, is verrassend gedetailleerd weergegeven, een herkenningspunt in een wereld die even is opgelost in water.
Alfred Sisley is in 1876 al jaren een van de stille krachten binnen de impressionistische beweging, minder luidruchtig dan Monet, minder controversieel dan Manet, maar even consequent in zijn toewijding aan het buitenschilderen en het vluchtige licht. Hij woont tijdelijk in Marly-le-Roi, op een twintigtal kilometer van Parijs, en legt de omgeving op tientallen doeken vast. De overstromingsserie is het hoogtepunt.
Een week voor zijn dood in 1899 schrijft Camille Pissarro aan zijn zoon over dit werk en roemt het in het bijzonder. Het is een van de eerste schilderijen van Sisley die bij een veiling een goede prijs opleveren. Zijn hele leven heeft de markt hem links laten liggen. Hij sterft arm.
18. La Cathédrale de Rouen (reeks) – Claude Monet (1892–1894)
Kathedraal van Rouen (reeks)
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: ca. 100 × 65 cm (per werk)
Te zien in: Musée d’Orsay / diverse | Parijs
19. The Child’s Bath – Mary Cassatt (1893)
Het kinderbad
Mary Cassatt – Allegheny (Pittsburgh, Pennsylvania), 22 mei 1844 – Le Mesnil-Théribus (Oise, bij Parijs), 14 juni 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 100 × 66 cm
Te zien in: Art Institute of Chicago | Chicago
20. Gelée blanche – Camille Pissarro (1873)
Rijm
Jacob Abraham Pizarro – Charlotte Amalie, 10 juli 1830 – Parijs, 12 november 1903
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 89 × 130 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
21. Le Fifre – Édouard Manet (1866)
De fluitspeler
Édouard Manet – Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 161 × 97 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
22. Les Meules (hooiberg-reeks) – Claude Monet (1890–1891)
Hooibergen (reeks)
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: ca. 60 × 100 cm (per werk)
Te zien in: Art Institute of Chicago / diverse | Chicago / diverse
23. Les Raboteurs de parquet – Gustave Caillebotte (1875)
De parketschavers
Gustave Caillebotte – Parijs, 19 augustus 1848 – Petit Gennevilliers, 21 februari 1894
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 83 × 101 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
24. Jour d’été – Berthe Morisot (1879)
Zomerdag
Berthe Marie Pauline Morisot – Bourges, 14 januari 1841 – Parijs, 2 maart 1895
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 45 × 75 cm
Te zien in: The National Gallery | Londen
Berthe heeft net haar eerste kind gekregen, de kleine Julie, en de winter heeft ze grotendeels binnen doorgebracht. Nu de zomer is aangebroken wandelt ze elke dag met Julie en haar voedster door het Bois de Boulogne, en langzaam begint het verlangen naar buiten schilderen weer te kriebelen. Maar ze wil haar kind niet dagenlang alleen laten. De oplossing is eenvoudig: ze laat haar modellen naar het park komen. Ze schildert, Julie speelt, en niemand hoeft ergens anders te zijn.
Jour d’été is het resultaat. Twee modieus geklede vrouwen zitten in een roeiboot op het meer van het Bois de Boulogne, wachtend tot ze van de oever worden geduwd. Op de achtergrond rijdt een rijtuig voorbij, vluchtig en snel, een herinnering dat de wereld buiten dit moment gewoon doorgaat. Eenden drijven op het water. De bomen zijn groen en dicht.
Het ziet er spontaan uit. Het is het niet. Morisot heeft de compositie zorgvuldig uitgewerkt, er bestaat een aquarelstudie die het motief bijna identiek weergeeft. De twee vrouwen zijn professionele modellen, geen toevallige voorbijgangers, en ze hebben dat jaar ook geposeerd voor Manet. Later die zomer schildert Morisot ze opnieuw in hetzelfde park, nu bloemen plukkend.
Maar de berekening is onzichtbaar. Wat je ziet is licht en beweging, penseelstreken die alle kanten opgaan, een blauwe mantel in ceruleumblauw, een kleur die de impressionisten zelden gebruiken, en een groen bladerdak gemengd van smaragd en viride en cadmiumgeel, ook dat nog nauwelijks ingeburgerd in 1879. Morisot experimenteert, stilletjes en consequent.
Op de vijfde impressionistische tentoonstelling van 1880 worden haar werken voor het eerst werkelijk enthousiast ontvangen. De critici prijzen haar kleurgebruik. Het is laat, maar het is er.
Het schilderij belandt in 1917 in de National Gallery in Londen, als onderdeel van de befaamde Lane-nalatenschap, waarvan het eigendom al decennialang wordt betwist tussen Londen en Dublin. In 1956 stelen twee Ierse studenten het uit de Tate Gallery, als statement voor de Ierse claim op de collectie. Ze deponeren het anoniem bij de Ierse ambassade. Het wordt teruggevonden, onbeschadigd.
25. La Grenouillère – Claude Monet (1869)
La Grenouillère
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 74 × 100 cm
Te zien in: The Metropolitan Museum of Art | New York
26. La Balançoire – Pierre-Auguste Renoir (1876)
De schommel
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 92 × 73 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
27. Les Toits rouges, coin de village, effet d’hiver – Camille Pissarro (1877)
Rode daken, dorpshoek, wintereffect
Jacob Abraham Pizarro – Charlotte Amalie, 10 juli 1830 – Parijs, 12 november 1903
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 65 × 92 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
28. La Petite Danseuse de quatorze ans – Edgar Degas (1878–1881)
Het danseresje van veertien jaar
Hilaire Germain Edgar (Edgar) Degas – Parijs, 19 juli 1834 – aldaar, 26 september 1917
Materiaal: Gemengde techniek / brons
Afmeting: ca. 99 × 67 cm (brons)
Te zien in: National Gallery of Art | Washington D.C.
29. La Pie – Claude Monet (1868–1869)
De ekster
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 89 × 68 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
30. In the Loge – Mary Cassatt (1878)
In de loge
Mary Cassatt – Allegheny (Pittsburgh, Pennsylvania), 22 mei 1844 – Le Mesnil-Théribus (Oise, bij Parijs), 14 juni 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 80 × 64 cm
Te zien in: Museum of Fine Arts | Boston
31. Le Pont de Villeneuve-la-Garenne – Alfred Sisley (1872)
De brug van Villeneuve-la-Garenne
Alfred Sisley – Parijs, 30 oktober 1839 – Moret-sur-Loing, 29 januari 1899
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 41 × 60 cm
Te zien in: The Metropolitan Museum of Art | New York
Het is 1872 en de brug is nog maar achtentwintig jaar oud.
Alfred Sisley schildert de hangbrug over de Seine bij Villeneuve-la-Garenne, een van de twee bruggen die in 1844 zijn gebouwd als onderdeel van de nieuwe rondweg om Parijs. Ze verbinden het Île Saint-Denis met de oevers aan weerszijden, een toonbeeld van het moderne Frankrijk dat zich langzaam maar zeker uitbreidt voorbij de stadsgrenzen. In 1905 worden ze afgebroken en vervangen. Sisley legt ze vast voordat dat gebeurt.
Bruggen zijn voor de impressionisten wat kathedralen voor de gotiek zijn: symbolen van de tijd, van beweging, van de spanning tussen het oude en het nieuwe. Monet schildert ze, Pissarro schildert ze, Caillebotte schildert ze. Sisley schildert deze brug tweemaal, vanuit twee verschillende gezichtspunten. Het ene doek hangt in New York, het andere in Cambridge, Massachusetts.
Dit doek, het bekendste van de twee, is een vroeg meesterwerk. Het water van de Seine reflecteert het licht in korte, naast elkaar geplaatste penseelstreken van contrasterende kleuren. De hemel is licht, de lucht zacht, de sfeer van een zomerdag die nergens heen hoeft. Aan de oever staan figuren, klein en losjes geschilderd, niet meer dan aanwezigheid. De brug zelf trekt het oog naar achteren, de diepte in, want Sisley doet iets wat zijn tijdgenoten steeds minder doen: hij houdt vast aan de traditionele dieptewerking, aan perspectief, aan de illusie van ruimte. Monet maakt zijn doeken steeds vlakker. Sisley blijft gelovig in de diepte.
In 1964 schenken de heer en mevrouw Henry Ittleson Jr. het aan het Metropolitan Museum of Art in New York, waar het sindsdien hangt.
32. Les Parapluies – Pierre-Auguste Renoir (ca. 1881–1886)
De paraplu’s
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 180 × 114 cm
Te zien in: The National Gallery | Londen
33. En bateau – Édouard Manet (1874)
In het bootje
Édouard Manet – Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 80 × 100 cm
Te zien in: The Metropolitan Museum of Art | New York
34. La Côte des Bœufs à L’Hermitage – Camille Pissarro (1877)
De helling van Les Bœufs bij L’Hermitage
Jacob Abraham Pizarro – Charlotte Amalie, 10 juli 1830 – Parijs, 12 november 1903
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 79 × 118 cm
Te zien in: The National Gallery | Londen
35. Les Périssoires – Gustave Caillebotte (1877)
De kano’s op de Yerres
Gustave Caillebotte – Parijs, 19 augustus 1848 – Petit Gennevilliers, 21 februari 1894
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 97 × 117 cm
Te zien in: Musée des Beaux-Arts de Rennes | Rennes
36. Place de la Concorde – Edgar Degas (1875)
Place de la Concorde
Hilaire Germain Edgar (Edgar) Degas – Parijs, 19 juli 1834 – aldaar, 26 september 1917
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 79 × 118 cm
Te zien in: Hermitage Museum | Sint-Petersburg
37. Le Bassin aux nymphéas, harmonie verte – Claude Monet (1899)
De vijver met waterlelies, groene harmonie
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 90 × 92 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
38. Réunion de famille – Frédéric Bazille (1867)
Familiebijeenkomst
Jean Frédéric Bazille – Montpellier, 6 december 1841 – Beaune-la-Rolande, 28 november 1870
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 152 × 230 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Het is zomer in Méric, het familiedomein bij Montpellier, en de hele familie Bazille zit bijeen onder de kastanjeboom. Frédéric schildert ze allemaal: zijn moeder in haar lange blauwe jurk, zijn ooms, tantes, neven en nichten, de bourgeoisie van het Hérault in haar zondagse kleren. En zijn vader. Die zit met zijn rug half naar hem toe.
Frédéric Bazille heeft de medicijnenstudie opgegeven voor de schilderkunst. Hij heeft geweigerd te trouwen met de vrouw die zijn familie voor hem had uitgekozen. In het strakke sociale netwerk van de hogere burgerij van het Tweede Keizerrijk, waar huwelijken dynastieën smeden en zonen doen wat vaders zeggen, zijn dat twee ernstige vergrijpen. De vader zit in profiel, half afgewend, de enige man die zit terwijl de anderen staan of lopen. Achter hem, in exact dezelfde verticale lijn, staat een kastanjeboom. Diep geworteld. Onbeweeglijk. Een patriarch in hout en blad.
Bazille schildert Réunion de famille in 1867, op 25-jarige leeftijd, en stelt het een jaar later tentoon op de Salon van 1868. Hij is niet tevreden. Thuis in zijn Parijse atelier werkt hij het opnieuw bij: de hond op de voorgrond verdwijnt, vervangen door een stilleven met bloemen, een hoed en een wandelstok. Het is het compromis dat een jonge schilder moet sluiten om geaccepteerd te worden, de millimeter ruimte die de jury hem gunt tussen academisme en iets nieuws.
In datzelfde atelier deelt hij de huur met Monet, die hij heeft leren kennen in het atelier van Charles Gleyre in Parijs. Renoir is er ook. Sisley. De toekomst van de Franse schilderkunst oefent er, arm en getalenteerd, en Bazille betaalt meer dan zijn deel.
Drie jaar na dit schilderij meldt hij zich vrijwillig voor de Frans-Duitse Oorlog. Op 28 november 1870 sneuvelt hij bij Beaune-la-Rolande, geraakt door twee kogels. Hij is 28 jaar oud. Réunion de famille hangt nu in het Musée d’Orsay.
39. Danse à Bougival – Pierre-Auguste Renoir (1883)
Dans in Bougival
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 180 × 130 cm
Te zien in: Museum of Fine Arts | Boston
40. La Chasse aux papillons – Berthe Morisot (1874)
De vlinderjacht
Berthe Marie Pauline Morisot – Bourges, 14 januari 1841 – Parijs, 2 maart 1895
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 46 × 37 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Edma staat in het groen, een vlindernet in haar handen, haar blik gericht op iets dat net buiten beeld is gevlogen. Links, afgebakend door een struik, zitten haar twee dochters Jeanne en Blanche. Een gewone zomermiddag in de tuin. Berthe Morisot schildert het alsof ze er zelf bij staat, want dat is ook zo.
Edma is haar zus. Of beter: was haar collega. De twee zusjes Morisot groeiden op met de schilderkunst, studeerden samen, exposeerden samen, en koesterden dezelfde ambities. Maar in 1869 trouwde Edma met een marineofficier en legde haar kwasten neer. Zoiets deed een getrouwde vrouw nu eenmaal. Berthe trouwde later, later ook met een man uit de kring van Manet, maar bleef schilderen, ook toen dat niet vanzelfsprekend was.
Chasse aux papillons is uit 1874, het jaar van de eerste impressionistische tentoonstelling in Nadars atelier. Morisot hangt er ook. Ze is de enige vrouw in de groep die van meet af aan volwaardig meedoet, niet als gast maar als deelnemer. Degas bewondert haar. Manet schildert haar. Ze schildert terug.
41. Les Peupliers (populieren-reeks) – Claude Monet (1891)
Populieren (reeks)
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: ca. 93 × 74 cm (per werk)
Te zien in: Diverse musea | Diverse steden
In het voorjaar van 1891 ontdekt Monet dat de populieren langs de Epte zijn gemarkeerd voor de kap. De gemeente Limetz heeft ze in veiling gegeven. Hij gaat naar de burgemeester, informeert naar de datum, en onderhandelt vervolgens met de houtkoper die ze wil kopen: als de biedprijs zijn budget overschrijdt, betaalt Monet het verschil, mits de bomen blijven staan totdat hij klaar is. Het lot gaat voor bijna 6.000 frank van de hand. Monet mompelt wat, betaalt bij, en blijft schilderen.
Het resultaat is een serie van drieëntwintig doeken, geschilderd van zijn boot op de Epte, van de zomer tot de herfst van 1891. Dezelfde rij populieren, steeds opnieuw, bij wisselend licht, wisselende seizoenen, wisselend weer. De hoge stammen die zich uitstrekken naar de hemel, de kronkelende lijn van de rivier eronder, een S-curve die het doek doorsnijdt als een handtekening van de natuur.
Het is Monet zoals hij altijd werkt: obsessief, serieel, op zoek naar wat het licht doet met één enkel motief. Net als bij de hooibergen, net als bij de kathedraal van Rouen. Maar de populieren zijn anders. Ze zijn lijn. Ze zijn structuur. En in één doek, de Quatre Arbres in het Metropolitan Museum in New York, laat Monet de natuur bijna helemaal los. Vier stammen, weerspiegeld in het water, in een vrijwel vierkant formaat. Hij schrijft er zelf over: hij wil een doek schilderen dat van geen enkel tijdstip is, van geen enkel seizoen. Een landschap dat zichzelf overstijgt.
Het is een schilderij dat Mondrian had kunnen maken, decennia later. Verticale en horizontale lijnen, vlakken van kleur, een compositie die zichzelf op het doek terugvouwt. Monet is in 1891 al verder dan hij zelf beseft. De bomen zijn geveld. De serie hangt verspreid over de wereld, van het Musée d’Orsay tot Tokio, van Edinburgh tot Philadelphia.
42. Little Girl in a Blue Armchair – Mary Cassatt (1878)
Meisje in een blauwe armstoel
Mary Cassatt – Allegheny (Pittsburgh, Pennsylvania), 22 mei 1844 – Le Mesnil-Théribus (Oise, bij Parijs), 14 juni 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 89 × 130 cm
Te zien in: National Gallery of Art | Washington D.C.
43. Avenue de l’Opéra, effet de neige – Camille Pissarro (1898)
Avenue de l’Opéra, sneeuweffect
Jacob Abraham Pizarro – Charlotte Amalie, 10 juli 1830 – Parijs, 12 november 1903
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 73 × 92 cm
Te zien in: Musée des Beaux-Arts de Reims | Reims
44. L’Atelier de Bazille – Frédéric Bazille (1870)
Het atelier van Bazille
Jean Frédéric Bazille – Montpellier, 6 december 1841 – Beaune-la-Rolande, 28 november 1870
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 98 × 128 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Kijk goed naar de lange figuur in het midden. Hij toont een schilderij aan zijn vrienden, zijn arm gestrekt, zijn houding vol van die specifieke combinatie van trots en twijfel die jonge kunstenaars kennen. Dat is Frédéric Bazille. Maar de hand die hem heeft geschilderd is niet de zijne.
Het is 1870 en het atelier aan de rue de La Condamine nummer 9 is het kloppend hart van wat later de impressionistische beweging zal heten. Bazille deelt het met Renoir. Manet komt langs, Monet, Sisley, Zola, de musicus Edmond Maître die rechts aan de piano zit. Ze drinken koffie in het Café Guerbois aan de rue des Batignolles, schilderen elkaars portretten, kopen elkaars werk als niemand anders het wil. Bazille, rijk genoeg om te geven, koopt van Monet en Renoir wat de salon weigert. De werken hangen nu op zijn muren, zichtbaar op het schilderij zelf: een stilleven van Monet boven de pianist, een landschap van Renoir frontaal rechtsboven, zijn eigen La toilette boven de sofa.
Terwijl Bazille aan het doek werkt, kijkt Manet mee. Op een gegeven moment pakt hij de kwast en schildert de figuur van zijn vriend zelf in. De krachtige, brede penseelstreken van Manet, zo anders dan Bazilles verfijnde toets, zijn er nog steeds in te zien. Het schilderij is gesigneerd door Bazille alleen. Maar de lange figuur in het midden is van Manet.
Het is een merkwaardig document: een groepsportret geschilderd door de schilder zelf, met zijn eigen figuur ingeschilderd door een ander, van een kring die nog geen naam heeft maar al voelt dat ze geschiedenis aan het maken is. De stijl wortelt nog in het realisme, maar het licht is al vrijer, de kleuren feller. Het impressionisme hangt in de lucht van dit atelier, als verf en terpentijn. Een paar maanden later breekt de Frans-Duitse Oorlog uit. Bazille meldt zich vrijwillig. Op 28 november 1870 sneuvelt hij. Het atelier aan de rue de La Condamine is er niet meer. Het schilderij hangt in het Musée d’Orsay.
45. Le Pont japonais – Claude Monet (1899)
De Japanse brug
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: ca. 100 × 65 cm
Te zien in: National Gallery of Art | Washington D.C.
De brug staat er al zes jaar als Monet er in 1899 voor gaat staan. Hij heeft hem zelf laten bouwen, over de vijver die hij zelf heeft laten aanleggen, in de tuin die hij zelf heeft ontworpen. Het is geen onderwerp dat hij heeft gevonden. Het is een onderwerp dat hij heeft gecreëerd.
Giverny is in 1899 al tien jaar zijn thuis en zijn laboratorium. De moeras die hij heeft laten droogleggen is een vijver geworden, de vijver is volgegroeid met waterlelies, en de Japanse brug die eroverheen loopt is omgeven door wilgen en wisteria. Het is een tuin die eruitziet alsof de natuur hem heeft gemaakt, maar elk element is gekozen, geplant en gerangschikt door de schilder zelf. Monet als tuinier is even obsessief als Monet als schilder.
In 1899 schildert hij twaalf doeken van de brug en de vijver. Twaalf keer hetzelfde standpunt, hetzelfde motief, hetzelfde dichte groen dat van boven en van de zijkanten op de compositie drukt. De brug raakt bijna de bovenrand van het doek, waardoor de vijver erin wordt opgesloten als in een kamer zonder plafond. Het is tegelijk een tuin en een droom, een landschap en een symbool.
Als hij de reeks in 1900 tentoonstelt bij Durand-Ruel, schrijven de critici over de Japanse invloed: de vlakke compositie, de decoratieve lijn van de brug, de manier waarop het water het groen terugkaatst. Monet hangt Japanse prenten in zijn eetkamer in Giverny en kent Hokusai en Hiroshige van buiten. Maar er zit ook iets middeleeuwser in dit doek, iets van de hortus conclusus, de omsloten tuin als plek van contemplatie en betekenis. Gustave Geffroy schrijft in zijn recensie over een kalme vijver, onbeweeglijk en diep als een spiegel, waarop witte waterlelies bloeien.
De brug is het begin. Het water wacht.
46. Femmes à la terrasse d’un café le soir – Edgar Degas (1877)
Vrouwen op het terras van een café
Hilaire Germain Edgar (Edgar) Degas – Parijs, 19 juli 1834 – aldaar, 26 september 1917
Materiaal: Pastel
Afmeting: 41 × 60 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
47. Jeanne Samary en robe décolletée – Pierre-Auguste Renoir (1877)
Jeanne Samary in laag uitgesneden jurk
Pierre-Auguste Renoir – Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 55 × 46 cm
Te zien in: Pushkin Museum | Moskou
Jeanne Samary is in 1877 tweeëntwintig jaar oud en speelt bij de Comédie-Française, waar ze twee jaar eerder haar debuut heeft gemaakt als Dorine in Tartuffe. Ze is jong, begaafd, en lacht makkelijk. Renoir, die vlakbij woont aan de rue Saint-Georges, vraagt haar te poseren. Ze komt gewoon langs, tussen de repetities door, zoals buren dat doen.
Ze poseert meerdere keren voor hem, in verschillende formaten en houdingen. Dit doek van 1877 is het intiemste van allemaal. Jeanne leunt naar voren, haar kin steunend op haar linkerhand, haar blik zacht en tegelijk een beetje koket. Ze draagt een gedecolteerde jurk in groen en blauw met bloemen op het corsage. Ze denkt aan iets. Of ze denkt nergens aan en weet precies hoe ze eruitziet als ze aan iets denkt.
Renoir schildert haar huid zoals hij altijd huid schildert: warm, licht, alsof ze van binnenuit gloeit. De achtergrond lost op. De jurk is impressionistisch en losjes. Het gezicht is precies. Het is een portret dat de afstand tussen model en schilder voelbaar maakt, en tegelijk opheft. Op de derde impressionistische tentoonstelling van 1877 ontvangt het werk overwegend negatieve kritieken. Het publiek is er nog niet klaar voor, of begrijpt niet wat het ziet.
Na haar vroege dood in 1890, op 33-jarige leeftijd, raken de portretten verspreid. Dit doek belandt uiteindelijk in de collectie van de Russische verzamelaar Ivan Morozov, die de Fransen na de eerste wereldoorlog leegkopen. Na de revolutie wordt de collectie door de bolsjewieken geconfisqueerd. La Rêverie hangt nu in het Poesjkinmuseum in Moskou.
In 1970 verschijnt Jeanne Samary en robe décolletée op een Sovjet-postzegel.
48. Jeune homme à sa fenêtre – Gustave Caillebotte (1876)
Jonge man aan zijn raam
Gustave Caillebotte – Parijs, 19 augustus 1848 – Petit Gennevilliers, 21 februari 1894
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 116 × 80 cm
Te zien in: J. Paul Getty Museum | Los Angeles
Hij staat met zijn rug naar ons. Een man bij een raam, zijn handen waarschijnlijk in zijn zakken, zijn blik gericht op de boulevard Malesherbes beneden. Parijs gaat zijn gang. Hij kijkt toe.
Het is 1876 en Gustave Caillebotte schildert zijn broer René in het familieherenhuis aan de rue de Miromesnil. René sterft een paar maanden later. Het schilderij blijft.
Het thema, een figuur van achteren bij een raam, is niet nieuw. De Duitse romantici hebben het uitgeput: Caspar David Friedrich en zijn eenzame mensen die uitkijken over meren, bergen en oneindige horizonten. Maar Caillebotte doet iets anders. Zijn man kijkt niet naar de natuur. Hij kijkt naar de stad. Geen sublieme leegte, maar een boulevard met rijtuigen en voorbijgangers en het geometrische raster van het nieuwe Parijs dat Haussmann heeft opgelegd. De romantische blik naar binnen is omgekeerd naar buiten, en buiten is de moderne wereld.
Émile Zola ziet het op de impressionistententoonstelling van 1876 en is verdeeld. De techniek imponeer hem, maar het schilderij zelf noemt hij anti-artistiek, te precies, te fotografisch, te burgerlijk. Een schilder moet zijn stempel drukken op de realiteit, niet haar kopiëren. Zola, apostel van het naturalisme, mist hier het naturalisme dat hij zelf predikt.
Wat hij mist is de vraag die Caillebotte eigenlijk stelt: wat betekent het om te kijken zonder gezien te worden? René staat op de drempel tussen binnen en buiten, tussen privé en publiek, tussen deelname en observatie. Hij is aanwezig en afwezig tegelijk, deel van de stad en er volledig van afgesneden door het glas. De tijd lijkt te zijn stilgezet.
In november 2021 wordt Jeune Homme à la Fenêtre het duurste schilderij van Caillebotte dat ooit onder de hamer is gegaan: 53 miljoen dollar, betaald door het Getty Museum in Los Angeles. Het museum noemt het een meesterwerk van het negentiende-eeuwse urbane realisme.
49. La Toilette – Frédéric Bazille (1870)
Het toilet
Jean Frédéric Bazille – Montpellier, 6 december 1841 – Beaune-la-Rolande, 28 november 1870
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 135 × 127 cm
Te zien in: Musée Fabre | Montpellier
Het is december 1869 en Frédéric Bazille huurt een duur model en een prachtige negerin, schrijft hij aan zijn moeder. Hij werkt tot maart. Het schilderij is af. Een paar maanden later is hij dood, gevallen op de slagvelden van de Frans-Duitse Oorlog. Hij is 28 jaar oud.
Het toilet is een van de laatste grote werken die Bazille voltooit, en het is meteen een van zijn ambitieuetste. Een naakte vrouw wordt gekleed of getooid door een zwarte bediende, terwijl een tweede vrouw op de achtergrond toekijkt. De compositie is tamelijk klassiek, de uitvoering verbluffend: het bont op de bank, het tapijt aan de muur, de verschillende stoffen die elkaar raken en contrasteren. Bazille schildert textiel zoals anderen gezichten schilderen, met een aandacht en een precisie die haast obsessief is.
De bronnen zijn geleerd en bewust gekozen. Veronese, Rembrandt, Delacroix. In Rembrandts Bathseba, die in 1869 aan het Louvre is nagelaten en volop de aandacht trekt, ziet Bazille de naakte vrouw die in gedachten verzonken is terwijl ze wordt verzorgd.
In Delacroix’ haremscènes, waarvan De vrouwen van Algiers het bekendste is, vindt hij de sfeer van het interieur en de verhouding tussen de vrouwen onderling. En dan is er Manet, wiens Olympia vijf jaar eerder een schandaal heeft veroorzaakt met precies dezelfde opstelling: een naakte blanke vrouw, een zwarte bediende ernaast. Bazille is minder frontaal, minder provocerend, maar het verband is onmiskenbaar.
Het verband met Manet is wellicht ook de reden dat de salon van 1870 het werk weigert, al is de officiële verklaring vaag. Mogelijk is het over het hoofd gezien, schrijft Bazille zelf. Maar de jury staat onder leiding van de oriëntalist Gérôme, die weinig heeft met de nieuwe richting die Bazille en zijn vrienden inslaan.
Die vrienden zijn Monet, Renoir, Sisley. Bazille is de rijkste van het stel, de zoon van een welgestelde wijnboer uit Montpellier, en hij deelt zijn atelier en zijn geld royaal. Het rechter meisje op het schilderij is waarschijnlijk Lise Tréhot, Renoirs vaste model en vriendin in die periode. De impressionistische kring is klein en iedereen kent iedereen. In de zomer van 1870 breekt de oorlog uit. Bazille meldt zich vrijwillig. Op 28 november sneuvelt hij bij Beaune-la-Rolande. Het toilet hangt nu in het Musée Fabre in Montpellier, de stad waar hij opgroeide.
50. La Neige à Louveciennes – Alfred Sisley (1878)
Sneeuw in Louveciennes
Alfred Sisley – Parijs, 30 oktober 1839 – Moret-sur-Loing, 29 januari 1899
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 61 × 50 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Sisley schrijft het zelf in een brief uit 1892: de hemel kan niet zomaar een achtergrond zijn. Hij begint elke doek bij de hemel, omdat de hemel alles bepaalt wat eronder gebeurt. In La Neige à Louveciennes is die hemel zwaar, grijs, dik als een deken, vol van aanstaande sneeuw. Hij neemt meer dan de helft van het doek in beslag en drukt op alles eronder.
Eronder: een smal pad in Louveciennes, het chemin de l’Étarché, waar Sisley van 1872 tot 1874 heeft gewoond. Aan weerszijden muren, links laag en onregelmatig, rechts hoog en massief. Sneeuw op de grond, op de takken, op de daken die tussen de bomen door gluren. En aan het einde van het pad, klein en ver weg, een vrouwenfiguur met een mand, die haast maakt naar huis.
Sisley schildert haar zonder naam, zonder gezicht, als een silhouet dat de natuur niet verstoort maar erdoor wordt opgeslokt. Het is een klassieke compositie: het pad als perspectieflijn, de figuur op de centrale as, alles symmetrisch en weloverwogen. Maar het gezichtspunt ligt ongewoon laag, bijna op kniehoogte, waardoor hemel en landschap kunnen ademen en de toeschouwer fysiek in de kou wordt geplaatst.
De kleuren zijn een kamermuziek van grijs en blauw, met hier en daar een vleugje okergeel in de muren, net genoeg om de kou te breken zonder de stemming te doorbreken. Sisley werkt in grijsblauw getint met citroengeel en malachietgroen op een reeks van witten. Het is een palet dat niemand voor hem zo beheerst.
Het doek gaat in 1877 naar de collectie van graaf Armand Doria, daarna naar toneelschrijver Georges Feydeau, dan naar graaf Isaac de Camondo, die het in 1908 nalaat aan de Franse staat. Sinds 1986 hangt het in het Musée d’Orsay.
Er is gesuggereerd dat Debussy dit schilderij kende toen hij in 1909 zijn pianostuk Des pas sur la neige componeerde. Voetstappen in de sneeuw. Een vrouw die verdwijnt in het wit. De muziek bevriest op dezelfde manier als het schilderij.
51. The Boating Party – Mary Cassatt (1893–1894)
Het boottochtje
Mary Cassatt – Allegheny (Pittsburgh, Pennsylvania), 22 mei 1844 – Le Mesnil-Théribus (Oise, bij Parijs), 14 juni 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 90 × 117 cm
Te zien in: National Gallery of Art | Washington D.C.
Het is winter in Antibes en Mary Cassatt kijkt uit over de Middellandse Zee vanuit haar villa La Cigaronne. Het landschap is te mooi, schrijft ze, bijna vervelend mooi. En de mensen van Antibes zijn niet mooi genoeg om haar te inspireren.
The Boating Party is uit 1893, een van de grootste en meest ambitieuze schilderijen die Cassatt ooit maakt. Bijna drie bij vier voet doek, en op dat doek een ongewone compositie: een vrouw met een kind op haar schoot, een man die roeit met zijn rug naar de toeschouwer, en een boot die brutaal door het beeldvlak wordt afgesneden. Geen horizon. Geen uitleg. Alleen het geel van de boot, het donkerblauw van de man, het licht op de vrouw en het kind.
De man roeit. De vrouw kijkt naar het kind. Hun handen komen bijna samen in het midden van het doek, maar alleen het kind en de vrouw raken elkaar echt aan. Kunsthistoricus Griselda Pollock leest er de afstand in die de late negentiende eeuw tussen man en vrouw plaatst, tussen werk en zorg, tussen twee werelden in dezelfde boot. De roeispaan als grens.
De compositie is Japans in haar lef: het afgeknipte perspectief, de asymmetrie, de vlakke kleurvlakken. Cassatt heeft in 1890 de grote Japanse prentententoonstelling in Parijs bezocht en is er niet meer van losgekomen. Ze bezit prenten van Utamaro. Ze denkt in diagonalen en vlakken.
Ze wil het schilderij niet verkopen. In 1914 schrijft ze dat het jaar van The Boating Party ook het jaar is dat haar nichtje ter wereld komt. Het is een herinnering, geen handelswaar. Pas later, als ze merkt dat haar familie het niet dezelfde waarde toekent als zij, brengt ze het alsnog op de markt. In 1963 komt het in de National Gallery of Art in Washington terecht. In 1966 verschijnt het op een Amerikaanse postzegel.
52. Eugène Manet à l’île de Wight – Berthe Morisot (1875)
Eugène Manet op het eiland Wight
Berthe Marie Pauline Morisot – Bourges, 14 januari 1841 – Parijs, 2 maart 1895
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 38 × 46 cm
Te zien in: Musée Marmottan Monet | Parijs
53. Argenteuil – Édouard Manet (1874)
Argenteuil
Édouard Manet – Parijs, 23 januari 1832 – Parijs, 30 april 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 149 × 131 cm
Te zien in: Musée des Beaux-Arts de Tournai | Tournai
54. Paseo a orillas del mar – Joaquín Sorolla (1909)
Wandeling langs de zee
Joaquín Sorolla y Bastida – Valencia, 27 februari 1863 – Madrid, 10 augustus 1923
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 205 × 300 cm
Te zien in: Museo Sorolla | Madrid
Het is vroege avond op het strand van El Cabanyal bij Valencia. De zon hangt laag, de schaduwen zijn lang, en twee vrouwen in witte japonnen lopen langs de vloedlijn. De wind blaast. De sluier wappert bijna horizontaal. Het witte linnen beweegt als water.
Het is 1909 en Joaquín Sorolla staat op het hoogtepunt van zijn carrière. Datzelfde jaar heeft hij in New York een tentoonstelling gehouden die 169.000 bezoekers trekt. Hij heeft een portretopdracht gekregen van de pas gekozen president William Howard Taft. Hij heeft voor bijna twee miljoen dollar aan schilderijen verkocht, waaronder twee aan het Metropolitan Museum of Art. Terug in Valencia begint hij aan wat zijn biograaf en kleindochter Blanca Pons-Sorolla later omschrijft als enkele van zijn beste en meest spectaculaire strandscènes.
Wandeling langs de zee is daar het middelpunt van. De twee vrouwen zijn zijn vrouw Clotilde en zijn oudste dochter María, negentien jaar oud. María kijkt de toeschouwer aan, haar gezicht vol in het licht. Clotilde loopt een stap achter haar, haar profiel verborgen in de schaduw van een brede strohoed, een doorzichtige groene sluier waait voor haar gezicht. Moeder en dochter, licht en schaduw, zichtbaar en verborgen.
Het doek is bijna vierkant, bijna twee bij twee meter, en er is geen horizon. De zee vult de achtergrond van top tot teen, een gordijn van blauw dat van tint wisselt van turkoois tot diepblauw. De witste kleuren op het doek zijn niet het zand of het schuim maar de japonnen, en dat wit is allesbehalve wit: Sorolla mengt er blauw in, geel, lila, oranje. Het is de techniek van de Franse impressionisten, maar het licht is onmiskenbaar Valenciaans.
Het schilderij blijft zijn hele leven in Sorollas bezit. Na zijn dood in 1923 erft zijn zoon het. In 1948 schenkt die het aan de Spaanse staat. Het hangt nu in het Museo Sorolla in Madrid, het voormalige huis van de schilder zelf.
55. Femmes au jardin – Claude Monet (1866)
Vrouwen in de tuin
Oscar-Claude Monet – Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 255 × 205 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
56. Sommeraften ved Skagen Sønderstrand – Peder Severin Krøyer (1893)
Zomeravond op Skagen Sønderstrand
Peder Severin Krøyer, (vaak P.S. Krøyer genoemd) – Stavanger, 23 juli 1851 – Skagen, 21 november 1909 (als Noor neemt in 1889 de Deense nationaliteit aan)
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 135 × 187 cm
Te zien in: Skagens Museum | Skagen
Twee vrouwen lopen arm in arm langs de vloedlijn. Het water is kalm, de hemel gaat over van blauw naar wit naar het bijna onzichtbare goud van een zomerzon die in het noorden nauwelijks ondergaat. Hun silhouetten zijn donker tegen het licht. De voetstappen verdwijnen achter hen in het natte zand.
De vrouwen zijn Marie Krøyer, de vrouw van de schilder, en Anna Ancher, de grootste Deense impressioniste van haar generatie en echtgenote van Michael Ancher. De twee koppels vormen samen de kern van de kunstenaarskolonie in Skagen, het kleine vissersdorp aan de noordpunt van Denemarken waar de Noordzee en de Oostzee samenkomen en het licht in de zomer nooit helemaal verdwijnt. Krøyer is er in 1891 komen wonen, de Anchers zijn er al langer. Samen maken ze van Skagen een begrip in de Scandinavische kunst.
P.S. Krøyer schildert dit doek in 1893, maar de voorbereiding is minutieus. Hij fotografeert de twee vrouwen minstens twee keer terwijl ze arm in arm langs het strand lopen. Hij maakt schetsen, meerdere, waarvan er twee in de Hirschsprungse Collectie in Kopenhagen terechtkomen. Als Michael Ancher er een ziet, schildert hij meteen zijn eigen versie.
Bij de restauratie van het doek in 2005 vinden conservatoren zandkorrels in de verf, over het hele oppervlak verspreid. Krøyer heeft het schilderij mee naar het strand genomen. Het zand van Skagen zit letterlijk in het werk. Na de tentoonstelling in München in 1895 koopt de Duitse operazangeres Lilli Lehmann het voor nog geen 5.000 kronen. Het verdwijnt jarenlang in een Oostenrijkse berghut. In 1978 duikt het op bij een veiling in Kopenhagen, vrijwel onbekend, en gaat het voor 520.000 kronen naar de Duitse uitgever Axel Springer. Na zijn dood schenkt zijn weduwe het aan het Skagens Museum, als dank voor de Denen die in 1943 de Joodse bevolking hielpen ontsnappen naar Zweden.
57. Carnation, Lily, Lily, Rose – John Singer Sargent (1885–1886)
Anjer, lelie, lelie, roos
John Singer Sargent – lorence, 12 januari 1856 – Londen, 14 april 1925
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 174 × 94 cm
Te zien in: Tate Britain | Londen
Het licht dat Sargent wil vangen bestaat alleen in die specifieke overgang tussen dag en avond, wanneer de hemel paars kleurt en de papieren lantaarns beginnen te gloeien. Te vroeg is het te licht. Te laat is het te donker. Dus staat hij elke dag van september tot november 1885 klaar in de tuin van Farnham House in de Cotswolds, kwast in de hand, en wacht. Op dat moment.
De twee meisjes zijn Dolly en Polly Barnard, dochters van illustrator Frederick Barnard, elf en zeven jaar oud. Ze zijn gekozen vanwege hun blonde haar, want het eerste model, de donkerharige Katherine Millet, paste niet in het licht dat Sargent voor ogen heeft. Ze staan tussen de rozen en de lelies, de papieren lantaarns in hun handen, en kijken neer op iets wat de toeschouwer niet ziet. Het groen is overal. Er is geen horizon. De wereld is deze tuin, dit licht, dit moment.
Sargent is in de Cotswolds beland via een omweg. Een jaar eerder heeft zijn Portrait of Madame X in Parijs een schandaal veroorzaakt. Hij is naar Engeland gevlucht, heeft de zomer doorgebracht met zijn vriend Francis Davis Millet, en is op een avond op de Thames bij Pangbourne gaan roeien met de schilder Edwin Austin Abbey. In de bomen langs de oever hangen lantaarns tussen de lelies. Het beeld blijft hangen.
Hij werkt twee zomers aan het doek. Als de bloemen in de herfst van 1885 sterven, worden ze vervangen door kunstbloemen. De volgende zomer begint hij opnieuw, in Millets nieuwe huis vlakbij. Hij knipt ook bijna zestig centimeter van de linkerkant van het doek, om de compositie te vinden die hij zoekt.
De titel komt van een populaire song die die zomer voortdurend wordt gezongen in het huis: Carnation, lily, lily, rose. Een refrein dat niemand meer kent, vastgezet voor altijd in verf. Op de zomertentoonstelling van de Royal Academy in 1887 zijn de kritieken verdeeld. Te Frans, zeggen sommigen. Maar Frederic Leighton, president van de Academy, overtuigt de Tate Gallery het te kopen. Het is het eerste werk van Sargent dat in een publiek museum terechtkomt.
58. Chicos en la playa – Joaquín Sorolla (1909)
Kinderen op het strand
Joaquín Sorolla y Bastida – Valencia, 27 februari 1863 – Madrid, 10 augustus 1923
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 118 × 185 cm
Te zien in: Museo del Prado | Madrid
De zon staat hoog boven het strand van Valencia en drie jongens liggen op hun buik in het natte zand, op de grens van het water. Joaquín Sorolla schildert ze in 1909 zoals hij alles schildert: met een directheid en een lichtheid die bijna vanzelfsprekend lijkt, maar dat niet is. De blonde jongen, jonger dan de anderen en iets verder van het water, steunt op een elleboog en kijkt naar zijn twee donkere metgezellen. Een van hen kijkt terug, een glimlach op zijn gezicht. De derde is ergens anders met zijn gedachten. Het is een moment tussen drie mensen dat niemand heeft geregisseerd en Sorolla toch precies heeft gevangen.
De techniek is veelzeggend. De blonde jongen is scherper, meer gedetailleerd, zijn rugspieren en voetzolen met zorg uitgewerkt. De twee anderen zijn losser geschilderd, half weggezonken in het natte zand, hun lichamen oplossend in het licht en de reflectie van het water. Het is geen toeval maar een keuze: Sorolla trekt het oog naar binnen via het detail en laat het daarna los in de breedte van het doek.
Naakte jongens op het strand zijn een terugkerend thema in zijn werk, niet als provocatie maar als observatie. Zo zwommen kinderen nu eenmaal, en Sorolla schildert wat hij ziet. Het Spaanse licht doet de rest: dat verblindende, meedogenloze mediterrane wit dat schaduwen blauw maakt en huid bijna gloeiend. In 1919 schenkt Sorolla het schilderij zelf aan het Museo de Arte Moderno in Madrid. Vandaag hangt het in het Prado.
59. Midsommardans (målning) – Anders Zorn (1897)
Midzomerdans
Anders Leonard Zorn – Mora, 18 februari, 1860 – aldaar, 22 augustus, 1920
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 140 × 98 cm
Te zien in: Nationalmuseum | Stockholm
60. Meisje in witte kimono – George Hendrik Breitner (1894)
Meisje in witte kimono
George Hendrik Breitner – Rotterdam, 12 september 1857[4] – Amsterdam, 5 juni 1923
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 90 × 57 cm
Te zien in: Rijksmuseum | Amsterdam
61. Münchner Biergarten – Max Liebermann (1884)
Münchense biertuin
Max Liebermann – Berlijn, 20 juli 1847 – aldaar, 8 februari 1935
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 177 × 196 cm
Te zien in: Neue Pinakothek | München
62. Hip, hip, hurra! – Peder Severin Krøyer (1888)
Hip, hip, hurra! Kunstnerfest på Skagen – Hiep hiep hoera! Kunstenaarsfeest op Skagen
Peder Severin Krøyer – vaak P.S. Krøyer genoemd, Stavanger, 23 juli 1851 – Skagen, 21 november 1909
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 134 × 166 cm
Te zien in: Göteborgs konstmuseum | Göteborg
63. Claude Monet Painting by the Edge of a Wood – John Singer Sargent (1885)
Claude Monet schilderend aan bosrand
John Singer Sargent (Florence, 12 januari 1856 – Londen, 14 april 1925)
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 54 × 65 cm
Te zien in: Tate Britain | Londen
64. De Singelbrug bij de Paleisstraat – George Hendrik Breitner (1896–1898)
De Singelbrug bij de Paleisstraat
George Hendrik Breitner – Rotterdam, 12 september 1857 – Amsterdam, 5 juni 1923
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 100 × 152 cm
Te zien in: Rijksmuseum | Amsterdam
Amsterdam, een winterdag in 1896. De sneeuw is grijs geworden, de straat is nat, en midden op de Singelbrug loopt een vrouw recht op je af. Ze draagt een oranjebruine pelerine afgezet met bont, een hoed van hanenveren, en een voile strak voor haar gezicht. Ze komt van de Dam, ze heeft inkopen gedaan bij Hirsch & Cie, en ze kijkt dwars door je heen. Het beeld wordt bruusk afgesneden ter hoogte van haar middel, alsof de fotograaf te laat was. Want dat is precies wat het is: een foto die een schilderij is geworden.
George Hendrik Breitner is behalve schilder ook fotograaf, en hij scheidt die twee werelden nauwelijks. Hij fotografeert de straat, trekt contouren over op transparant papier, zet ze over op doek met behulp van ruitjes, en schildert dan wat hij ziet: de momentopname, het afgeknipte beeld, de figuren op de achtergrond die niet meer zijn dan één verfstreek. Amsterdam als stad in beweging, vastgezet voor een fractie van een seconde.
Maar de vrouw op de voorgrond is niet de vrouw die er eerst stond. Bij de eerste expositie in 1896 bij Arti et Amicitiae krijgt Breitner te horen dat de figuur op de voorgrond er als een straatmeid uitziet. Op aanraden van de bedrijfsleider van kunsthandel Van Wisselingh vervangt hij haar door een mondaine dame. Vermoedelijk laat hij zich inspireren door een fotoportret van Lise Jordan, gemaakt door zijn vriend Willem Witsen, zus van zijn latere vrouw. De ogen zijn opvallend gelijkend.
In 1912 gaat het voor 8.100 gulden naar verzamelaar Drucker, destijds een enorm bedrag. Via bruikleen komt het in 1919 in het Rijksmuseum, dat het in 1944 erft.
65. De ijsvogels – Emile Claus (1891)
De ijsvogels
Emile Claus – Sint-Eloois-Vijve, 27 september 1849 – Astene (nabij Deinze), 5 juni 1924
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 149 × 193 cm
Te zien in: Museum voor Schone Kunsten Gent | Gent
Het is winter aan de Leie en de kinderen klimmen de oever op, ijsstoelen achter zich aan slepend. Het spel is voorbij, of even onderbroken. Het rozige avondlicht valt over het bevroren water en maakt van een alledaags moment iets dat blijft hangen. Émile Claus schildert De IJsvogels rond 1889, op een kantelpunt. Hij heeft net drie winters in Parijs doorgebracht, heeft het Franse impressionisme van dichtbij bestudeerd en voelt hoe zijn palet losser wordt, hoe zijn kwast vrijer gaat bewegen. Maar hij is nog niet helemaal vertrokken uit het naturalisme dat zijn vroege werk heeft gevormd. Dit schilderij leeft precies op die grens.
De kinderen zijn naturalistisch: waarheidsgetrouw, herkenbaar, verankerd in de werkelijkheid van een Vlaamse winterdag. Je ziet wie ze zijn, hoe ze bewegen, hoe zwaar die ijsstoelen zijn. Maar het licht is al iets anders. Het roze dat over het ijs en de oever valt, de manier waarop de hemel het water kleurt, de bredere toets die de details oplost in sfeer, dat is de taal die Claus in de jaren negentig volledig zal gaan spreken. Want wat volgt na deze overgangsperiode is het Belgische luminisme, een stroming die Claus zelf mede zal definiëren. Licht als hoofdpersonage, kleur als structuur, de Leievallei als onuitputtelijk onderwerp. Hij zal er een van de leidende figuren van worden, bewonderd in binnen- en buitenland.
66. Die Netzflickerinnen – Max Liebermann (1887–1889)
De nettenboetsters
Max Liebermann – Berlijn, 20 juli 1847 – Berlijn, 8 februari 1935
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 170 × 234 cm
Te zien in: Kunsthalle Hamburg | Hamburg
67. The Avenue in the Rain – Childe Hassam (1917)
De avenue in de regen
Frederick Childe Hassam – 17 oktober 1859, Dorchester, thans stadsdeel van Boston – 27 augustus 1935, Long Island
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 167 × 244 cm
Te zien in: The White House | Washington D.C.
68. Ezeltje rijden op het strand – Isaac Israëls (ca. 1898–1900)
Ezeltje rijden op het strand
Isaac Lazarus Israels – Amsterdam, 3 februari 1865 – Den Haag, 7 oktober 1934
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 59 × 79 cm
Te zien in: Rijksmuseum | Amsterdam
Drie meisjes rijden ezeltje langs de vloedlijn, matelotjes op het hoofd, een oppasser in blauwe kiel achter hen aan. Van links naar rechts: Agatha Pauw, Suze Pont, en een jonger zusje van Agatha. Maar Israëls schildert ze niet als portret. Hij schildert de wind, het licht, het ruisen van de golven, de zorgeloosheid van een zomerse ochtend in Scheveningen. De meisjes zijn er bijna toevallig.
Het is ergens tussen 1898 en 1900. Israëls woont in Amsterdam maar brengt de zomers door in Den Haag, waar zijn vader Jozef woont en waar de familie logies houdt in een villa van het Oranjehotel in Scheveningen. Het strand trekt hem altijd: het afwisselende licht van zon en zee, de beweging, de vluchtigheid van een moment dat nooit twee keer hetzelfde is. Precies wat een impressionist nodig heeft.
Hij werkt snel. Niet meer dan twee uur achter elkaar, zegt hij zelf, niet te lang peuteren, dan ben je niet fris meer. De verfstreken zijn los, bijna schetsmatig, de contouren vaag waar ze vaag mogen zijn. Het onderwerp is een aanleiding. Het licht is het onderwerp.
Ezeltje rijden is in die jaren een populair tijdverdrijf op de Scheveningse en Zandvoortse stranden. Israëls schildert het meerdere keren, in variaties die soms studies lijken, soms voltooide werken. Ze groeien uit tot de bekendste schilderijen van zijn hand, en daarmee tot een van de herkenbaardste beelden uit de Nederlandse impressionistische schilderkunst.
Het doek hangt nu in het Rijksmuseum, geschonken door het echtpaar Drucker-Fraser.
69. Allies Day, May 1917 – Childe Hassam (1917)
Geallieerdendag, mei 1917
Frederick Childe Hassam – 17 oktober 1859, Dorchester, thans stadsdeel van Boston – 27 augustus 1935, Long Island
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 94 × 68 cm
Te zien in: National Gallery of Art | Washington D.C.
Childe Hassam zet zijn ezel op het balkon van een gebouw op de hoek van Fifth Avenue en 52nd Street, kijkt naar het noorden richting Central Park, en schildert. Overal vlaggen: de Stars and Stripes, de Union Jack, de Franse tricolore, soms een Canadese Red Ensign. Ze hangen aan gebouwen, aan lantaarnpalen, in lange rijen die de avenue omtoveren tot wat de stad officieel heeft uitgeroepen tot de Avenue of the Allies.
De Verenigde Staten zijn één maand eerder officieel de Eerste Wereldoorlog ingegaan. New York verwelkomt de Britse en Franse oorlogscommissarissen met een stad in nationale kleuren. Hassam, van Britse afkomst en gevormd door jaren in Parijs, voelt dit persoonlijk. Hij is al een jaar bezig met zijn vlaggenserie, begonnen bij de Preparedness Parade van 1916, en zal uiteindelijk zo’n dertig doeken schilderen van vlaggentooi in de straten van New York. Dit wordt het beroemdste.
De compositie ziet er vluchtig uit, als een momentopname. Ze is het niet. Hassam heeft zorgvuldig gekozen wat hij laat zien. De vlaggen clusteren rechts en beneden, als een kleurrijke lijst om de gebouwen aan de westkant van de avenue. En hoog in de compositie, vrij van andere vlaggen en palen, tegen een wolkeloze blauwe hemel, hangt één vlag volledig alleen: de Amerikaanse. Zijn tijdgenoten begrijpen de boodschap meteen.
Beneden op straat staan de gebouwen vol ochtendlicht. Saint Thomas Church glanst het felst, het nieuwste gebouw in de rij, een jaar eerder gewijd in neogotische stijl. Ernaast de University Club, daarna het Gotham Hotel, dan de Fifth Avenue Presbyterian Church. Het zijn de instellingen van de rijkste, meest vooraanstaande New Yorkers, en de vlaggen wijzen er naartoe alsof ze hen aanwijzen als de ruggengraat van de natie.
Vier dagen na de wapenstilstand in november 1918 worden de vlaggenschilderijen voor het eerst samen tentoongesteld, als document van de Amerikaanse oorlogsinspanning en als viering van de overwinning. Het doek hangt nu in de National Gallery of Art in Washington. De vlaggen wapperen nog.
70. Soleil couchant à Ivry – Armand Guillaumin (1873)
Zonsondergang in Ivry
Armand Guillaumin – Parijs, 16 februari 1841 – Orly (Val-de-Marne), 26 juni 1927
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 65 × 81 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
De zon gaat onder boven Ivry-sur-Seine en de hemel staat in brand. Oranje vloeit over in geel, geel in groen, groen in blauw. Het water vangt alles op en gooit het terug. En aan de horizon, waar je bomen of heuvels verwacht, staan fabrieken. Met rokende schoorstenen. Het is 1873 en Armand Guillaumin schildert iets wat bijna niemand voor hem heeft gedurfd: de industrie als landschap. Niet als bedreiging, niet als waarschuwing, maar gewoon als onderdeel van de werkelijkheid. De fabrieksgebouwen tekenen de horizon zoals bomen dat doen. De rook lost op in de avondlucht. De rivier trekt het oog er naartoe alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Guillaumin is in de jaren zestig opgetrokken met de schilders van de School van Barbizon, die de ongerepte natuur verheerlijken en de industrie het liefst buiten beeld houden. Hij bewondert hun werk, raakt bevriend met Charles-François Daubigny, meester van het rivierlandschap. Maar hij neemt de koers niet klakkeloos over. Zijn toets is losser, zijn blik eerlijker. Samen met Cézanne en Pissarro bezoekt hij de arts en verzamelaar Paul Gachet in Auvers-sur-Oise, waar de nieuwe generatie elkaar vindt en de toekomst van de schilderkunst begint te bespreken.
Zonsondergang in Ivry is het resultaat van dat zoeken. Vier jaar eerder maakt Guillaumin al een schetsmatige voorstudie van hetzelfde uitzicht, grauwe kleuren, fabrieken die iets dichterbij lijken, een lichte dreiging in de lucht. Dit doek is de uitwerking: grootser, feller, en volkomen onbevangen. Kort erna schildert hij nog Sneeuw in Ivry, donker en naargeestig, de zon nauwelijks zichtbaar achter een rossig schijnsel. Hetzelfde landschap, een andere wereld.
In 1890 keert hij terug naar het tafereel, maar ditmaal met figuren in de compositie. De rivier is er nog. De fabrieken zijn er nog. Alleen de blik is veranderd. Zonsondergang in Ivry hangt nu in het Musée d’Orsay. Het is het meest typerende bewijs dat de Franse impressionisten de moderne wereld niet buiten de deur hielden, maar haar verwelkomden, kleur gaven en in het licht zetten.
71. Sur la terrasse à Sèvres – Marie Bracquemond (1880)
Op het terras in Sèvres
Marie Anne Caroline Quivoron – Landunvez (Bretagne), 1 december 1841 – Parijs, 17 januari 1916
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 92 × 73 cm
Te zien in: Musée du Petit Palais | Genève
72. At the Seaside – William Merritt Chase (1892)
Aan zee
William Merritt Chase – Williamsburg, Johnson County (Indiana), 1 november 1849 – New York, 25 oktober 1916
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 102 × 127 cm
Te zien in: The Metropolitan Museum of Art | New York
73. La Place d’Anvers – Federico Zandomeneghi (1880)
Het Anversplein
Federico Zandomeneghi – Venetië, 2 juni 1841 – Parijs, 31 december 1917
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 100 × 135 cm
Te zien in: Galleria d’Arte Moderna | Milaan
74. Sommarnöje – Anders Zorn (1886)
Zomerplezier
Anders Leonard Zorn – Mora, 18 februari, 1860 – aldaar, 22 augustus, 1920
Materiaal: Aquarel
Afmeting: 66 × 91 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
75. Une loge aux Italiens – Eva Gonzalès (1874)
Een loge in het Théâtre des Italiens
Eva Gonzalès – Parijs, 19 april 1847 – Parijs, 5 mei 1883
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 98 × 131 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
76. The Wedding March – Theodore Robinson (1892)
De bruidsmars
Theodore Robinson – Irasburg, (Vermont, Verenigde Staten) – 2 april 1896, New York City
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 46 × 56 cm
Te zien in: Terra Foundation for American Art | Chicago
Suzanne Hoschedé, stiefdochter van Claude Monet, loopt in haar witte sluier door de verblindend felle zon van de Normandische zomer. Naast haar, vermoedelijk, haar bruidegom Theodore Butler, hoge hoed op het hoofd. Achter hen de zalm-roze gevel van de mairie waar zo-even de burgerlijke ceremonie heeft plaatsgevonden. Voor hen de kerk van Sainte-Radégonde, nog net buiten beeld. De bruiloftsstoet beweegt, de sluier wappert, de diagonalen van de weg trekken alles naar voren.
Theodore Robinson is erbij. Niet alleen als gast, maar als insider. Hij is al jaren bevriend met Butler, zijn landgenoot en mede-Amerikaan in Giverny. Hij kent Monet persoonlijk, beter dan de meeste andere buitenlandse schilders die naar het dorp zijn getrokken op zoek naar de maestro. De twee mannen spreken regelmatig over kunst, over licht, over wat schilderen eigenlijk betekent. Het is een vriendschap tussen gelijken, zeldzaam voor een buitenlander in Monets kring.
Die vriendschap heeft zelfs een concrete rol gespeeld in dit huwelijk. Monet is aanvankelijk tegen de verbintenis van zijn stiefdochter met de Amerikaan. Het is Suzannes moeder Alice die Robinson inschakelt om hem te overtuigen. Robinson praat met Monet. Monet geeft toe. De bruiloft gaat door. Meer dan twee weken later, terug in zijn atelier, schildert Robinson het moment alsnog. Niet naar foto, niet naar schets, maar uit geheugen en gevoel. En juist daardoor klopt het: de beweging is er, de hitte is er, de vluchtigheid van een moment dat al voorbij is voor je het hebt kunnen vasthouden.
The Wedding March is het enige schilderij dat Robinson aan een specifieke gebeurtenis wijdt. Een paar maanden later verlaat hij Giverny definitief en keert terug naar Amerika. Hij sterft in 1896, pas 43 jaar oud, voor hij ooit echt beroemd wordt. Maar dit ene doek vertelt alles: over vriendschap, over licht, over een zomerdag in een klein Frans dorp waar de Amerikaanse en Franse kunstwereld voor even samenvallen in een witte sluier die wappert in de wind.
77. La Place des Pyramides – Giuseppe De Nittis (1875)
Het Place des Pyramides
Giuseppe De Nittis – Barletta, 25 februari 1846 – Saint-Germain-en-Laye, 12 augustus 1884
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 69 × 85 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
78. La Seine à Charenton – Armand Guillaumin (1878)
De Seine bij Charenton
Armand Guillaumin – Parijs, 16 februari 1841 – Orly (Val-de-Marne), 26 juni 1927
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 60 × 73 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
Vijf jaar na Zonsondergang in Ivry staat Guillaumin opnieuw aan de Seine. Iets stroomafwaarts ditmaal, bij Charenton, waar de Marne en de Seine samenkomen aan de rand van Parijs. Hetzelfde water, hetzelfde licht, een andere stemming. Waar Zonsondergang in Ivry uitbundig en bijna provocerend was, is La Seine à Charenton stiller. Het is geen schilderij dat schreeuwt. Het ademt. Het water ligt breed en kalm, de lucht hangt laag, en ergens in het midden van het doek lost alles op in licht en reflectie. De industrie is er nog, op de achtergrond, maar minder nadrukkelijk. Guillaumin is geen activist, geen romanticus. Hij kijkt gewoon, en legt neer wat hij ziet.
Tegen 1878 is hij een volleerd impressionist, ook al zal de grote erkenning hem zijn hele leven ontlopen. Hij werkt overdag als ambtenaar bij de Parijse gemeente om zijn schilderijen te kunnen betalen, een detail dat iets vertelt over hoe weinig de markt hem waardeert, en hoe weinig hem dat kan schelen. ’s Avonds en in het weekend staat hij buiten, kwast in de hand, op zoek naar het licht. De Seine bij Charenton is geen spectaculair onderwerp. Juist dat maakt het zo typisch Guillaumin.
79. The Red Bridge – Julian Alden Weir (1895)
De rode brug
Julian Alden Weir – West Point (New York), 30 augustus 1852 – New York, 8 december 1919
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 61 × 85 cm
Te zien in: The Metropolitan Museum of Art | New York
80. La Dame en blanc – Marie Bracquemond (1880)
De dame in het wit
Marie Anne Caroline Quivoron – Landunvez (Bretagne), 1 december 1841 – Parijs, 17 januari 1916
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 79 × 61 cm
Te zien in: Musée d’Orsay | Parijs
Ze wil wit begrijpen. Niet wit als kleur, maar wit als probleem, wat doet zonlicht met een witte jurk, hoe verandert het van minuut tot minuut, van schaduw naar gloed naar bijna transparant. Haar zoon Pierre herinnert zich later hoe zijn moeder geobsedeerd is door die vraag. The Lady in White is het antwoord.
Het is 1880 en Marie Bracquemond schildert haar halfzuster Louise in de tuin van hun huis in Sèvres. Louise zit op het gras, handen gevouwen in haar schoot, in een lichtgekleurde jurk die het hele doek lijkt te laten ademen. Het is een eenvoudige compositie, maar achter die eenvoud zit jarenlang zoeken.
Bracquemond is geen naam die iedereen kent, maar ze zou het moeten zijn. Ze begint te schilderen in de jaren 1850, grotendeels autodidact, afkomstig uit een arbeidersklasse milieu, een zeldzaamheid in een wereld waar kunst een privilege is. Ze leert even bij Ingres, die haar meteen probeert te beperken tot bloemen, fruit en stillevens, de onderwerpen die hij gepast vindt voor vrouwen. Ze vertrekt. De invloed van zijn formalisme blijft zichtbaar in haar vroege werk, maar de kooi laat ze achter.
Tegen het einde van de jaren 1870 vinden de impressionisten haar, of zij hen. Degas, Monet, Renoir, ze beïnvloeden haar manier van kijken. Ze begint buiten te schilderen, in de tuin, want daar mag ze tenminste alleen werken zonder de blikken van de buitenwereld. De tuin in Sèvres wordt haar laboratorium. De dame in het wit hangt in april 1880 op de Vijfde Impressionistische Tentoonstelling, samen met werk van Caillebotte, Degas, Pissarro en Gauguin. De kritiek is enthousiast. Arthur d’Echerac noemt haar aanpak een meesterlijk debuut. Gustave Goetschy schrijft dat Bracquemond schildert met een betoverende hand.
Maar daarna wordt het stil. Haar man Félix, zelf een gerespecteerd kunstenaar, ontmoedigt haar steeds vaker. Hij vindt het impressionisme maar niets en kan de groeiende erkenning van zijn vrouw moeilijk verdragen. Marie schildert minder. Ze trekt zich terug. Na 1890 stopt ze vrijwel volledig. Het schilderij zelf zwerft decennialang. Van Parijs naar het Musée des Beaux-Arts in Cambrai, waar het negentig jaar hangt. Als het Musée d’Orsay in 2019 bekendmaakt het werk over te nemen, tekenen honderden inwoners van Cambrai een petitie om het te houden. Ze verliezen.
81. Walchensee, Johannisnacht – Lovis Corinth (1920)
Walchensee, Sint-Jansnacht
Franz Heinrich Louis (Lovis) Corinth – Tapiau, Oost-Pruisen, 21 juli 1858 – Zandvoort, Nederland, 17 juli 1925
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 75 × 95 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
82. The White Bridge – John Henry Twachtman (1895)
De witte brug
John Henry Twachtman – Cincinnati, Ohio, 4 augustus 1853 – Gloucester, Massachusetts, 8 augustus 1902)
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 76 × 112 cm
Te zien in: Minneapolis Institute of Art | Minneapolis
83. La donna in rosa – Giovanni Boldini (1916)
De vrouw in roze
Giovanni Boldini – Ferrara, 31 december 1842 – Parijs, 12 januari 1931
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 152 × 91 cm
Te zien in: Galleria d’Arte Moderna | Milaan
84. Le Pont de l’Europe – Gustave Caillebotte (1876)
Le Pont de l’Europe
Gustave Caillebotte – Parijs, 19 augustus 1848 – Petit Gennevilliers, 21 februari 1894
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 125 × 180 cm
Te zien in: Association des Amis du Petit Palais | Genève
Parijs, 1876. Een brug over de spoorwegen bij het Gare Saint-Lazare, waar zes avenues samenkomen, elk vernoemd naar een Europese hoofdstad. Het ijzeren vakwerk van de brug vult de helft van het doek. Eronder: de rook en het lawaai van de modernste stad ter wereld.
Een man en een vrouw komen op de toeschouwer af. De man is een flâneur, herkenbaar aan zijn houding, zijn kleding, zijn manier van lopen zonder ergens naartoe te hoeven. De vrouw naast hem is gekleed in het zwart. In de buurt van het Gare Saint-Lazare, in 1876, weet iedereen wat dat kan betekenen. Of de man is Caillebotte zelf, en de vrouw zijn gezellin Anne-Marie Hagen. Of het is iemand anders. Caillebotte geeft geen uitleg.
Want de man kijkt niet naar de vrouw. Hij kijkt voorbij haar, naar de arbeider die iets verderop over de reling leunt en naar de treinen beneden kijkt. Kunsthistorica Norma Broude leest in die blik een signaal: Caillebotte, levenslang vrijgezel, die een man van een andere klasse opmerkt, op een plek die bekend staat om zijn dubbelzinnige transacties. Of het zo is, weet niemand zeker. Maar de blik is er. En Caillebotte heeft hem er bewust neergezet.
Het verdwijnpunt van de compositie ligt ver buiten het midden, achter het hoofd van de man, waardoor het perspectief scheef trekt en de brug bijna op de toeschouwer lijkt te vallen. Het is een techniek die Caillebotte ontleent aan de Japanse prent en aan de fotografie, een compositie die even berekend is als ze spontaan lijkt.
Op de impressionistische tentoonstelling van 1877 hangt het doek naast Rue de Paris, temps de pluie en een werk van Monet van dezelfde brug, vanuit een ander gezichtspunt. Twee schilders, dezelfde brug, twee volkomen verschillende werelden. Le Pont de l’Europe hangt nu in het Musée du Petit Palais in Genève.
85. La Concha, nocturno – Darío de Regoyos (ca. 1906)
La Concha, nocturne
Darío de Regoyos y Valdés – Ribadesella, Asturië, 1 november 1857 – Barcelona, 29 oktober 1913
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 65 × 92 cm
Te zien in: Museo de Bellas Artes de Bilbao | Bilbao
86. La Sortie du lycée Condorcet – Jean Béraud (1903)
Het uitgaan van het Lycée Condorcet
Jean Béraud – Sint-Petersburg, 12 januari 1849 – Parijs, 4 oktober 1935
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 64 × 82 cm
Te zien in: Musée Carnavalet | Parijs
Parijs, ergens rond de eeuwwisseling. De schoolbel is gegaan bij het Lycée Condorcet en de boulevard vult zich met jongens in uniform, met moeders die wachten, met voorbijgangers die zich een weg banen door de plotselinge drukte. Het trottoir is te smal voor iedereen. Niemand geeft toe.
Jean Béraud is de chroniqueur van de Belle Époque, de man die Parijs schildert zoals een journalist schrijft: precies, gedetailleerd, met een oog voor het moment dat anderen laten passeren. De Champs-Élysées, de cafés van Montmartre, de oevers van de Seine, de kerkgangen en de boulevards: Béraud registreert ze allemaal met een nauwgezetheid die ergens between de academische schilderkunst en het impressionisme zweeft, maar zich aan geen van beide volledig overgeeft. Hij wil dat je de stad herkent. Hij wil dat je er zelf in staat.
Zijn parcours is ongewoon. Geboren in Sint-Petersburg, waar zijn vader als beeldhouwer werkte aan de bouw van de Isaäkskathedraal. Na de dood van zijn vader verhuist de familie naar Parijs. Hij begint een rechtenstudie, maar de Frans-Pruisische Oorlog van 1870 maakt een einde aan die plannen. Hij wordt schilder, leert bij Léon Bonnat, en toont zijn werk voor het eerst op de Salon van 1872. De erkenning komt vier jaar later.
La Sortie du Lycée Condorcet is Béraud op zijn best: de stad als theater, de straat als podium, de alledaagse drukte als onderwerp dat evenveel aandacht verdient als een historisch tafereel. De jongens stromen naar buiten, de stad neemt hen op, en het leven gaat gewoon door. In 1894 ontvangt hij het Légion d’honneur.
87. Les buveurs d’absinthe / Les Déclassés – Jean-François Raffaëlli (1881)
De gedeclasseerden
Jean-François Raffaëlli – Parijs, 20 april 1850 – aldaar, 11 februari 1924
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 105 × 75 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
Ze zitten buiten onder een kale pergola, twee mannen aan een tafeltje, glazen absint voor zich. Ze kijken nergens naar. Ze wachten nergens op. Achter hen, aan de muur, een advertentie voor Bourgondische wijnen die zij zich niet kunnen veroorloven. Linksboven, amper zichtbaar: een spoorwegstation, een overwegboom. De moderne wereld raast voorbij. Zij zitten stil.
Les Buveurs d’Absinthe is het bekendste werk van Jean-François Raffaëlli, geschilderd in 1881, en het is een schilderij dat de impressionistische tentoonstelling van dat jaar bijna volledig overschaduwt. Caillebotte protesteert zo heftig tegen Raffaëlli’s deelname dat hij wegblijft. De gevestigde impressionisten vrezen voor hun positie. Ze hebben gelijk om bang te zijn.
Raffaëlli woont in Asnières, een buitenwijk van Parijs, onder de mensen die hij de déclassés noemt: mensen die buiten de samenleving vallen, die geen erkende plaats innemen. Straatvegers, lompenrapers, vreemde handelaren, mensen die op de drempel wonen tussen de stad en het niemandsland erbuiten. Hij is door hen gefascineerd, niet met medelijden maar met precisie. Om dit schilderij te maken drinkt hij zelf absint, meerdere keren, en noteert de effecten: bij het eerste glas duizeling, bij het tweede een surreële helderheid, bij het derde iets wat lijkt op waanzin.
De twee mannen op het doek zijn niet geschilderd in de losse, vluchtige toets van de impressionisten. Raffaëlli schildert met extreme nauwkeurigheid, elk detail uitgewerkt, elk draadje van hun versleten kleren, elke holte in hun gezichten. Waar de impressionisten het moment vangen, vangt Raffaëlli de duur: het gevoel dat deze mannen hier altijd al hebben gezeten, en hier altijd zullen blijven zitten. De tijd beweegt voor hen niet.
Huysmans schrijft in zijn recensie dat Raffaëlli een van de weinigen is die zal blijven. De absint die hij schildert, de fée verte, de groene fee, is goedkoper dan wijn, hoger in alcohol, en verslavender dan beide. Zola heeft er een roman over geschreven. Les Buveurs d’Absinthe hangt nu in een privécollectie.
88. Rolla – Henri Gervex (1878)
Rolla
Henri Gervex – Parijs, 10 december 1852 – Parijs, 7 juni 1929
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 175 × 220 cm
Te zien in: Musée des Beaux-Arts de Bordeaux | Bordeaux
Het is vroeg in de ochtend in Parijs. Een jonge man staat bij een open raam, zijn blik vermoeid en dromerig, de stad achter hem nog half in slaap. Op het bed achter hem ligt een vrouw, naakt, uitgeput, diep in slaap. Tussen hen in, op de grond, een chaos van dure kleren. En een korset. Dat korset is niet toevallig. Het is een idee van Edgar Degas, die Gervex tijdens het schilderproces bezoekt en zegt: leg kleren op de grond, dan begrijpt iedereen wat er is gebeurd. Het is het detail dat het schilderij van een literaire illustratie verandert in een aanklacht, of misschien juist in een spiegel.
Het verhaal komt van Alfred de Musset. In zijn romantisch gedicht Rolla uit 1833 volgt hij een jongeman die zijn ziel verkoopt aan het genot en ten onder gaat. De vrouw op het bed is Marion, een courtisane, te duur voor hem maar onweerstaanbaar. De man bij het raam kijkt naar haar en ziet tegelijk zijn eigen ondergang. Het klassieke verhaal van de heilige en de hoer, geschilderd met de technische perfectie van een academisch meester. Voor Marions lichaam staat de bekende actrice Ellen Andrée model, die in diezelfde periode ook poseert voor Manet, Degas en Renoir. Haar gezicht wil ze niet op het doek, en zo poseert iemand anders voor dat deel.
De toelatingscommissie van de Parijse Salon accepteert het werk aanvankelijk, maar schrapt het vlak voor de opening. Te amoreel. Te direct. Te eerlijk over wat er achter gesloten deuren gebeurt in het Parijs van de belle époque. Gervex, verbolgen maar niet verslagen, hangt het drie maanden lang in de etalage van een zaak aan de Rue de la Chaussée-d’Antin. De mensen stromen toe. De kranten schrijven er dagenlang over. Gervex wordt beroemd. Jaren later herinnert hij zich nog hoe hij vanuit zijn atelier de onafgebroken processie voorbij ziet trekken. Hij had het voorzien. Hij had het gewild.
89. Moulin de la Galette – Isaac Israëls (ca. 1905)
Moulin de la Galette
Isaac Lazarus Israels – Amsterdam, 3 februari 1865 – Den Haag, 7 oktober 1934
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 55 × 71 cm
Te zien in: Kunstmuseum Den Haag | Den Haag
90. La Seine à Rouen – Albert Lebourg (ca. 1890)
De Seine bij Rouen
Albert-Charles Lebourg – Montfort-sur-Risle. 1 februari 1849 – Rouen, 6 januari 1928
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 73 × 92 cm
Te zien in: Musée des Beaux-Arts de Rouen | Rouen
91. La Récolte des betteraves – Emile Claus (1890)
De bietenoogst
Emile Claus – Sint-Eloois-Vijve, 27 september 1849 – Astene (nabij Deinze), 5 juni 1924
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 90 × 130 cm
Te zien in: Museum voor Schone Kunsten Gent | Gent
92. Quai des Célestins – Stanislas Lépine (ca. 1870–1880)
Kade van de Célestins
Stanislas Victor Edouard Lépine – Caen (Normandië), 3 oktober 1835 – Parijs, 28 september 1892
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 37 × 56 cm
Te zien in: Musée Carnavalet | Parijs
Parijs, ergens tussen 1870 en 1880. Niet het Parijs van de grands boulevards en de glinsterende cafés. Het Parijs van de kade, vroeg in de ochtend, als de stad nog niet helemaal wakker is. Stanislas Lépine is geen naam die iedereen kent, maar onder kenners is hij een geliefde. De in Caen geboren schilder werkt jarenlang in de luwte van het impressionisme, bevriend met Corot, bewonderd door Degas, maar nooit helemaal opgenomen in de binnenste cirkel. Hij heeft geen schandalen, geen manifesten. Hij heeft de Seine.
De Quai des Célestins is een van de oudere kades van Parijs, gelegen op de rechteroever tussen het Île Saint-Louis en de stad, weg van de drukte. Lépine schildert het zoals hij alles schildert: rustig, precies, met een gevoel voor de grijstinten die Parijs zo anders maken dan de felle kleuren van de Provence of de kust. Zijn licht is geen mediterraan licht. Het is het gedempte, bewolkte licht van de noordelijke stad, en hij beheerst het als geen ander.
Op het doek: water, kade, wat bomen, een paar figuren op de achtergrond. Niets wat op het eerste gezicht de aandacht trekt. Maar kijk langer en het doek begint te ademen. Het water beweegt. De lucht hangt laag. Ergens in die stilte zit heel Parijs. Lépine sterft in 1892, betrekkelijk onbekend en niet welgesteld. Pas na zijn dood begint de waardering te groeien. De kade is er nog. Het licht is er nog.
93. Le Boulevard de Clichy sous la neige – Norbert Goeneutte (1876)
Boulevard de Clichy in de sneeuw
Norbert Goeneutte – Parijs, 23 juli 1854 – Auvers-sur-Oise, 9 oktober 1894
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 57 × 75 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
94. Gezicht op de Oude Schans – Willem Witsen (ca. 1890–1900)
Gezicht op de Oude Schans
Willem Arnoldus (Willem) Witsen – Amsterdam, 13 augustus 1860 – aldaar, 13 april 1923
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 50 × 65 cm
Te zien in: Rijksmuseum | Amsterdam
95. La Côte de Bretagne – Anna Boch (ca. 1901)
De kust van Bretagne
Rosalie-Anna Boch – Saint-Vaast, 10 februari 1848 – Elsene, 23 februari 1936
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 54 × 73 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
96. La Terrasse au bord de la Seine à Melun – Henri Rouart (ca. 1880)
Het terras aan de Seine bij Melun
Henri Rouart, eigenlijk Stanislas-Henri Rouart – Parijs, 2 oktober 1833 – aldaar, 2 januari 1912
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 65 × 81 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
97. Rijtuigen met wachtende koetsiers – Willem de Zwart (ca. 1900)
Materiaal: Olieverf op doek
Wilhelmus Henricus Petrus Johannes (Willem) de Zwart – Den Haag 16 mei 1862 – aldaar, 11 december 1931
Afmeting: 31,5 × 43 cm
Te zien in: Rijksmuseum | Amsterdam
Op een regenachtige dag staan koetsiers te wachten in Den Haag, gehuld in donkere capes, terwijl het natte plein hun silhouetten weerspiegelt. De Zwart werkte in die jaren in de kunstenaarskolonie aan de Beeklaan in Loosduinen, waar hij zich toelegde op dit soort alledaagse stadsmomenten. Misschien speelde zijn achtergrond mee, zijn vader was rijtuigschilder, maar ook de invloed van tijdgenoten zoals Willem Witsen is voelbaar.
Het schilderij ademt rust en melancholie: geen drukte, maar een stil moment van wachten, typisch Hollands van sfeer. Anders dan de levendige stadstaferelen van George Hendrik Breitner kiest De Zwart voor ingetogenheid. De plek blijkt waarschijnlijk de Bosbrug bij het Malieveld te zijn, ooit een toegangspoort tot Den Haag. Met zijn losse penseelstreek en aandacht voor licht en reflectie vangt De Zwart hier niet zozeer een gebeurtenis, maar een stemming, een natte dag, een wachtend moment, en een stad die even stilstaat.
98. Jardin fleuri – Rodolphe Wytsman (ca. 1900)
Bloementuin
Rodolphe Paul Marie Wytsman – Dendermonde, 11 maart 1860 – Linkebeek, 2 november 1927
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 60 × 75 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
99. Kanaal in Venetië – Georges Buysse (1904)
Kanaal in Venetië
Léon-Georges Buysse – Gent, 1 februari 1864 – aldaar, 27 februari 1916
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 65 × 82 cm
Te zien in: Museum voor schone kunsten | Gent
Venetië is in 1904 al een cliché. Turner heeft er geschilderd. Monet heeft er geschilderd. Sargent heeft er geschilderd. Elke bezoeker met een kwast en een doek lijkt vroeg of laat naar de lagune te worden getrokken, alsof de stad zelf om geschilderd vraagt. En toch schildert Georges Buysse het opnieuw.
De Belgische schilder, geboren in Gent in 1861 en nauw verbonden met de Latem-school, reist in het begin van de twintigste eeuw door Europa en vindt in Venetië een onderwerp dat hem op het lijf geschreven is. Buysse is geen schilder van grote gebaren. Hij is een schilder van licht op water, van stilte die beweegt, van het moment dat een kanaal meer lucht dan water lijkt te bevatten.
Kanaal in Venetië is geen toeristische ansichtkaart. Buysse kiest niet voor het grote spektakel van het Canal Grande of de façade van San Marco. Hij kiest een smaller kanaal, smaller en stiller, waar het licht anders valt en de weerkaatsing het oppervlak in beweging houdt. Het is Venetië zoals je het ziet als je de drukte ontvlucht en een zijstraat inslaat, plotseling alleen met het water en het geluid van je eigen voetstappen.
Zijn palet is koeler dan dat van de Franse impressionisten, zijn toets iets bedachtzamer. Maar de fascinatie is dezelfde: het vluchtige vastleggen, het licht vangen voor het weer verandert.
100. Marché à Pontoise – Ludovic Piette (ca. 1876)
Markt in Pontoise
Ludovic Piette – Niort, 11 mei 1826 – Parijs, 14 april 1878
Materiaal: Olieverf op doek
Afmeting: 54 × 65 cm
Te zien in: Particuliere collectie | Onbekend
Het is een doordeweekse ochtend in Pontoise en de markt is in volle gang. Kraampjes, manden, vrouwen in donkere rokken die onderhandelen over groente en vlees. Het leven zoals het geleefd wordt, niet zoals het geposeerd wordt. Ludovic Piette is vandaag de dag een van de minder bekende namen uit het impressionistische circuit, maar in de jaren 1870 is hij een vertrouwd gezicht in de kring rond Camille Pissarro.
De twee zijn bevriend, schrijven elkaar regelmatig en schilderen samen in de omgeving van Pontoise, de kleine stad ten noordwesten van Parijs die voor Pissarro een tweede thuis is. Piette brengt er geregeld tijd door op zijn boerderij in het nabijgelegen Montfoucault, en het is in die sfeer van akkers, markten en alledaags dorpsleven dat zijn beste werk ontstaat.
Marché à Pontoise is daar een mooi voorbeeld van. Piette schildert geen groot gebaar, geen dramatisch moment. Hij schildert de markt zoals je hem beleeft als je er gewoon doorheen loopt: rumoerig, vol beweging, warm van kleur. De figuren zijn geen modellen maar mensen, herkenbaar in hun houdingen, hun kleding, hun bezigheid.
Het is precies die aandacht voor het gewone die hem verbindt met de kern van het impressionistische project. Dat hij desondanks in de schaduw blijft staan van zijn tijdgenoten heeft weinig met kwaliteit te maken. Piette sterft in 1877, een jaar na dit schilderij, op 51-jarige leeftijd. Zijn werk raakt verspreid, zijn naam vervaagt.















































































































Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!