, ,

Maurits de Vries of Zwarte Joop: biografie Koning van de Wallen

Maurits de Vries - Zwarte Joop

Maurits de Vries – Zwarte Joop

(Utrecht, 14 juni 1935 – Vinkeveen, 13 juli 1986)

Bijnamen: Zwarte Joop, Joden Jopie,  Koning van de Wallen

Ouders: Eliazer de Vries (1905-1943) en Grietje Katoen (1910-1985)
Partners: Margaretha (Margot) Lagcher (1934-2018); Willy (1932)
Kinderen: drie dochters, Edith, Margeretha en Joy

Zijn bijnaam dankt De Vries aan zijn donkere haar, zijn intimiderende uitstraling en zijn activiteiten op de Amsterdamse Wallen. De naam Joop, of Jopie, kreeg hij van de Friese familie bij wie hij tijdens de oorlog onderdook. Zij vonden ‘Maurits’ te Joods klinken voor iemand die moet onderduiken.


Maurits de Vries alias Zwarte Joop was een Nederlandse crimineel en de pleegvader van misdaadjournalist Bas van Hout.


100 grootste criminelen van Nederland (inmiddels meer…)
De Nederlands misdaadencyclopedie
Alle Liquidaties in Nederland
Boeken over Nederlandse criminaliteit
Bijnamen van de verschillende criminelen uit binnen- en buitenland.


Maurits de Vries - Zwarte Joop

Maurits de Vries – Zwarte Joop


Jeugd van De Vries

Maurits de Vries wordt op 14 juni 1935 geboren in Utrecht. Wanneer hij een half jaar oud is, verhuist het Joodse gezin naar Amsterdam, waar ze zich vestigen in de Zanddwarsstraat 9, nabij de Kloveniersburgwal.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog duikt De Vries onder in Friesland. In deze periode ontwikkelt hij engtevrees, omdat hij zich geregeld urenlang in een keukenkast moet verstoppen uit angst voor huiszoekingen door de Duitsers. Na de oorlog groeit hij op in pleeggezinnen en op straat in Amsterdam, waar hij zich onderscheidt als een getalenteerde straatvechter.


De eerste stappen op weg naar Koning van de Wallen van Zwarte Joop

Zwarte Joop doet alles om aan geld te komen. Hij werkt als fietsenbewaker bij filmtheater Tuschinski, helpt zijn broer op de markt en rijdt als snorder, een illegale taxichauffeur, door Amsterdam. Hij is niet te beroerd om collega-snorders een flink pak slaag te geven om duidelijk te maken dat hij de nieuwe baas in het gebied is.

De Vries verdient ook geld als prijsbokser op de kermis. Voor vijf gulden per avond slaat hij zijn knokkels stuk. Zoals zijn latere bodyguard Chris Dolman zegt: ‘Hij kon goed uit de voeten op straat.’

Met het geld dat hij verdient, opent hij in 1959 zijn eerste kroeg: Casablanca, op de Zeedijk. Daar speelt hij zelf piano, terwijl zijn eerste vrouw, Margot Lagcher, achter de toog staat. De kroeg trekt een bont gezelschap: onderwereldfiguren, schrijvers, toeristen en buurtbewoners.

Aan de deur staat John Bluming. Hij heeft gevochten in Korea en is een bekende karateka en judoka. In 1967 schrijft hij mee aan twee standaardwerken, Kyokushinkai Karate 1 en 2, en in 1999 publiceert hij zijn autobiografie: The History of Jon Bluming (van straatschoffie tot 10de dan).


Penoze tegen nozems

Onderwereld veegt de Dam schoon – Politie kijkt toe

(Vrij naar bericht uit de Volkskrant van 2 september 1959)

Amsterdam, dinsdag 1 september 1959.

De Dam staat op scherp. Honderden nozems, in leren jacks en met vetkuiven, slenteren rond het Nationaal Monument. De eigenaars van de kroegen op de Wallen en de souteneurs zijn boos. De aanwezige nozems zorgen er voor dat ze minder publiek trekken. De nozems schreeuwen, stoten, fluiten naar meisjes, en vormen groepen die steeds groter en uitdagender worden. De politie staat erbij: tien man in uniform, zes in burger. Ze hebben bevel: niet provoceren, geen geweld.

Dan verschijnen de auto’s. De deuren zwaaien open en de penose stapt uit, alsof het een toneelstuk is. Rinus Vet, alias Vette Lap, voorop, geflankeerd door Haring Arie en Zwarte Joop. Achter hen een colonne van dertig, veertig man, knuppels in de hand, witte zakdoeken om de hals geknoopt als herkenningsteken. De nozems joelen, maar voelen meteen: dit is andere koek.

Om half tien valt de stilte. Dan stormt de onderwereld naar voren. De knuppels suizen door de lucht, gummistokken kletsen op jassen en ruggen. Een jongen gaat tegen de grond en kruipt gillend weg. Een ander rent met een bebloemd gezicht richting Damrak. Het is geen ordinaire vechtpartij meer, maar een charge, georganiseerd, meedogenloos.

De nozems, eerst nog stoer in houding, breken. Ze rennen in paniek de stegen in, achtervolgd door een regen van slagen. Een paar stenen vliegen terug, maar het maakt geen indruk. Binnen enkele minuten is het plein leeg, alsof er een storm overheen is geraasd. Alleen hoofdinspecteur Bremer trekt zijn pistool en richt op Haring Arie. Maar Arie kijkt niet eens om en mept nog één keer hard in op een vluchtende jongen.

In Pleinzicht worden de knuppels hoog opgestapeld. Het rode kastje achter de bar staat vol. De mannen drinken, wachten op nieuwe berichten. Vanuit de Warmoesstraat komen telefoontjes binnen: de nozems hergroeperen, honderdvijftig man sterk. Maar Rinus Vet beslist: wachten. Pas toeslaan als ze dichterbij durven komen.

De avond ervoor heeft Zwarte Joop al zijn methode bewezen. Een fluitje in de Oudebrugsteeg, en in seconden stromen de stegen vol met vechtersbazen, slagwapens in de hand. De nozems worden toen als een golf terug de stad uitgeslagen. Eén 17-jarige koperslager, in paniek, springt in het water om te ontsnappen.

Zelfs de marine mengt zich: een twintigtal matrozen, kwaad omdat de verloofde van hun sergeant was lastiggevallen. Ze lopen door de menigte, klaar om mee te vechten, maar het komt er niet van.

Woensdagavond blijft de grote knokpartij uit. Na een stevig telefoongesprek heeft hoofdcommissaris Van der Molen de penose opgedragen hun handen thuis te houden. “Er is in Amsterdam maar één gezag,” zegt hij streng, “en dat is de politie.” Maar iedereen die op de Dam staat, weet beter. Want het beeld van dinsdag blijft hangen: de knuppels die suizen, de nozems die krakend breken, de politie die toekijkt.


Zwarte Joop gaat een stukje varen

Op maandag 14 oktober 1963 klinkt in de haven van Muiden een schot dat tot diep in de stad weerkaatst. Aan boord van het jacht Progress, eigendom van Zwarte Joop, raken de gemoederen zo verhit dat de oude erecode van de penoze breekt. Max V., een kelner die zich bedreigd voelt, grijpt een pistool. Tonny V., een jonge telg uit een Haagse advocatenfamilie, zwaait met een stuk hout. Wat er precies eerst gebeurt, de klap of het schot, blijft vaag. Vaststaat dat de kogel Tonny in de hand treft en bijna zijn hart bereikt.

Diezelfde week arresteert de districtsrecherche vier Amsterdammers: de kelner-portier J. S. van 22, de sportleraar en karatespecialist John Bluming van 32, de schutter Max zelf, en uiteindelijk ook het slachtoffer Tonny. De beschuldigingen lopen uiteen: diefstal van sieraden en stoffen, afpersing, mishandeling, poging tot moord. Zelfs in de rauwe wereld van de Zeedijk is het ongewoon dat zoveel mensen tegelijk de code van stilzwijgen doorbreken. Joop wijst zijn eigen mannen aan. Max verdedigt zich: “Ik schiet omdat ik word geslagen, ik wil alleen overleven.” Tonny reageert verontwaardigd: “Nee, hij schiet eerst, pas daarna pak ik dat stuk hout. Ik ben geen vechtersbaas, edelachtbare, ik zou niet eens durven.”

De affaire van Muiden, in de pers al snel de “Zeedijk-zaak” genoemd, laat de Amsterdamse onderwereld plotseling zien in een daglicht dat zelden schijnt.

Rechtszalen en straatgevechten

Op dinsdag 20 januari 1965 komt de zaak voor de rechtbank in Amsterdam. Officier van justitie H. G. van Everdingen wil er een harde lijn in trekken: vijf jaar cel voor Max, twee jaar voor John. Hij spreekt over “een gore situatie, in de sfeer van dancing Casablanca.”  Mr. B. Stokvis, de raadsman van John, schudt het hoofd: “Een onvermoede hoeveelheid fantasie, meer is het niet.”

De rechtbank worstelt met tegenstrijdige verhalen. Zwarte Joop heeft intussen verklaard hoe hij in Zuid-Frankrijk per telegram wordt gewaarschuwd door Tonny. “Ze willen me een kunstje flikken,” schrijft die, “er is een complot.” Joop keert halsoverkop terug en nodigt Max en Tonny uit voor een tocht naar Muiden. Aan boord van de Progress volgt de confrontatie, waarna Joop zelf van boord stapt. Wat er daarna gebeurt, blijft de kern van het raadsel: schiet Max in paniek, of probeert hij doelbewust zijn tegenstander uit te schakelen?

Een jaar eerder, op dinsdag 14 april 1964, is het ook al raak in de stad zelf. Op de Nieuwezijds Voorburgwal raken Joop en John verwikkeld in een vechtpartij met vier Hagenaars en een rijksambtenaar. Gereedschap vliegt door de lucht, John deelt rake klappen uit. “Als vijf man op je nek springen,” zegt hij later tegen de rechtbank, “ga je niet het Wilhelmus zingen.” President Van der Waerden noemt het luchtig “een stukje Amsterdams folklore”. Joop komt vrij, John krijgt een boete van 200 gulden.

Ondertussen stapelen de rechtszaken zich op. Op vrijdag 5 juni 1965 stelt het gerechtshof de behandeling van de Muiden, zaak in hoger beroep uit, omdat twee cruciale getuigen, Joop en Tonny, spoorloos zijn. En ook op zaterdag 11 september dat jaar, wanneer de zaak opnieuw wordt geopend, blijven beiden weg. Het hof moet zich behelpen met papieren verklaringen. Max zegt dat hij in doodsangst schiet: “Ze willen me vermoorden, die luizen.” De procureur-generaal wijst dat af: “Deze neurotische, infantiele man schiet niet uit noodweer maar uit moordzucht.” Het hof spreekt op vrijdag 24 september 1965 het vonnis uit: Max krijgt vier jaar cel, John wordt vrijgesproken.

Piraat op Malta

Maar het meest tot de verbeelding spreekt het verhaal van Zwarte Joop zelf. Na de gebeurtenissen in Muiden kiest hij het ruime sop. Op maandag 27 september 1965, ruim vijftien maanden na zijn verdwijning, duikt hij op in de haven van Valletta, Malta. Zijn haar hangt lang over de schouders, vijftien maanden niet geknipt. Hij draagt een piratenkostuum dat hem de bijnaam “De piraat van de Middellandse Zee” oplevert.

Tegen een verslaggever zegt hij: “Ik heb genoeg van het zwerven. Ik ga terug naar huis, naar de textielzaak van mijn vader. Eerst naar de kapper.” Hij vertelt over zijn tocht: via Engeland naar Gibraltar, langs de Spaanse havens, Casablanca, de Canarische Eilanden, Monrovia en tot diep in Kongo. “Daar werd het weer te slecht,” legt hij uit, “ dus we gingen terug naar Marokko, Tanger, Algiers, Philippeville en Tunesië, en daarna naar Sicilië.”

Onderweg wordt hij in Tunis twee dagen vastgehouden, verdacht van spionage voor Israël. In Algiers belandt hij zelfs in de cel. Maar niets kleeft echt aan hem. Zijn jacht, inmiddels Lady Edith genoemd, wil hij verkopen. Zijn eerste plan in Nederland: zijn baard en lange haren laten verzorgen. De groepscommandant van de Rijkspolitie in Muiden reageert droogjes: “Er ligt een proces-verbaal wegens niet verschijnen als getuige, maar daar zal hij niet zwaar tegenop zien. De rechtszaak is inmiddels afgehandeld.”


Zwarte Joop, scarabeeën en een erecode

Op 24 februari 1965 meldt de politie eindelijk een doorbraak in de geruchtmakende scarabeeënroof. De recherche houdt de 20-jarige dienstplichtige Jan S. aan, vermoedelijke dader van de inbraak in de villa van tapijtenhandelaar H. Keyzer aan de Haringvlietstraat. Het nieuws haalt de voorpagina’s, niet alleen vanwege de buit, een gouden armband met scarabeeën uit het graf van Toetanchamon, maar ook vanwege de rol van een oude bekende: Zwarte Joop.

Die roof dateert uit het voorjaar van 1964. Keyzer ziet dan tot zijn ontzetting hoe de armband en andere kostbaarheden verdwijnen. Niet de politie maar Joop de V., ex-dancinghouder en vertrouweling in de penoze, wordt erbij gehaald. Op de Zeedijk kent hij iedereen en hij weet hoe de ongeschreven wetten werken. Voor duizend gulden krijgt hij de sieraden terug, en levert ze bij Keyzer af alsof er nooit iets gebeurd is.

Weken en maanden blijft de politie met lege handen staan. Joop zwijgt, vastberaden de erecode van de onderwereld niet te breken. Zelfs als in april 1964 een vechtpartij op de Nieuwezijds Voorburgwal uitbreekt en zijn naam opnieuw valt, houdt hij vol.

Pas veel later, in februari 1965, begint het te schuiven. Tijdens een verhoor over de schietpartij in de haven van Muiden laat Joop zich iets ontvallen. Misschien een verspreking, misschien een kleine achteloosheid, maar genoeg voor de rechter-commissaris om de draad weer op te pakken. Het oude dossier over de scarabeeën komt opnieuw op tafel.

Een dag later, 25 februari 1965, staat het zwart op wit in de kranten: door het doorslaan van Zwarte Joop heeft de recherche eindelijk beet. De armband ligt al lang weer veilig bij de tapijtenhandelaar, maar het mysterie van de daders is doorbroken.

Zo wordt de erecode, jarenlang de stille basis van Joops reputatie, op een paar momenten van zwakte toch gebroken. Niet door infiltranten of geheime operaties, maar door de man zelf, die een jaar lang zweeg en zich toen in één zin verraadde.


Bewerkt met een mes

In juni 1969 neemt Joop het in zijn eentje op tegen een grote groep Noord-Afrikaanse gastarbeiders. Hij overleeft ternauwernood, met zijn rug vol messteken. De dokter repareert de verwondingen met 106 hechtingen.

Joop wordt opgenomen in het Binnengasthuis, maar weigert aangifte te doen van de steekpartij. ‘Ik reken zelf wel met ze af’, zou hij tegen rechercheurs hebben gezegd. In zijn café, de Kennemer Club, krijgt De Vries woorden met een aantal bezoekers omdat zij een vrouw lastigvallen. Later laat hij een uitvergrote foto van de messteken op intimiderende wijze in zijn kantoor ophangen.


Een nieuwe mijlpaal: Club 26

In 1970 opent De Vries een multifunctionele zaak op de Oudezijds Voorburgwal: Club 26, een combinatie van casino, nachtclub en sportschool. In de jaren zestig haalt hij als eerste in Nederland zwarte Amerikaanse jazzmuzikanten naar het land, waardoor Casablanca mateloos populair wordt.

Club 26 brengt de investering ruimschoots op en wordt een ontmoetingsplek voor de penoze en diverse societyfiguren. Jazzpianist Nedley Elstak speelt er regelmatig in het casino, en daarnaast herbergt Club 26 ook een theaterzaal.


De Casablanca van de Zeedijk in 1973: van jazztempel tot stille dood

Hoogtijdagen van sfeer en soul

(Vrij naar Het Parool, 24 februari 1973, De bloem van de Zeedijk-cafés is uitgebloeid | Hoe de Casablanca van jazztempel tot schaduwplek vervaagt)

Wie de deur van de Casablanca op de Zeedijk opent, treft een trieste aanblik. Een jazztrio speelt loom in de hoek, maar de dansvloer blijft leeg. ”Ik draai nog alleen in het weekend,” verzucht eigenaresse Margot Lagcher, ”maar dat is niet vol te houden natuurlijk.”

Het contrast met de glorietijd van het café kan bijna niet groter zijn. In de jaren vijftig en begin zestig is de Casablanca een bruisend trefpunt. Jazznamen als Erkner, Gerry Mulligan, Kid Hite en Johnny Russell zetten er de toon. ”Sfeer, dat was alles,” zegt Zwarte Joop, die samen met Lagcher de tent groot maakt. ”Hoe je die maakt? Dat weet ik niet, dat heb je in je vingers. Als je de Casablanca binnenkwam, voelde je je meteen op je gemak.”

Het geheim zit in de balans. De Vries houdt de mix in de gaten: vijftig procent blank en vijftig procent zwart, zowel in het publiek als bij het personeel. ”Eén neger tussen vijftig blanken valt op, net zoals het omgekeerde.” En ordehandhaving is stevig maar discreet: potige uitsmijters als Wim Ruska en Chris Dolman zorgen dat problemen in de kiem gesmoord worden. ”We hielden het clean, weet je wel. Ook als er wat was, susten we dat zelf. We haalden niet overal de politie bij.”

Een vrouw alleen in een veranderende buurt

Na de eerder beschreven problemen en het huwelijk dat strandt met Margot stapt De Vries eind 1964 uit de zaak. ”Ik pakte mijn koffers en stapte eruit, even gemakkelijk als ik erin was gekomen.” Vanaf januari 1965 staat Margot Lagcher er alleen voor. Aanvankelijk lukt dat verrassend goed. ”Er kwamen fotomodellen, boetiekmensen, modejongens, de incrowd van die tijd,” vertelt ze. De Casablanca verandert in een moderne discotheek, ”een B–2-zaak, waar soulmuziek klinkt en zelfs Willem Duys,” een zeer bekende radio- en televisiepresentator en muziekproducent in die tijd. ”komt luisteren naar wat in is.”

Maar de concurrentie groeit snel. ”We waren de eersten die met soul begonnen, anderen zijn dat ook gaan doen. Mensen hoeven dus niet meer zo nodig naar de Casablanca.” Daarbij komen nieuwe regels. De drankwet verplicht een 10–4-vergunning en dus ”levende muziek”. ”Dat is krankzinnig,” zegt Lagcher. „Een beetje trio kost duizend gulden per week, en als ik iets goeds breng, beginnen de buren te klagen.”

Buren, decibellen en een verdwijnende saamhorigheid

De buren zijn de andere plaaggeest. ”Ze hebben een lijst met dertien handtekeningen verzameld en ik heb al gehoord dat ze zullen zorgen dat ik mijn vergunningen kwijtraak.” Lagcher investeert in een driedubbel plafond van twaalfduizend gulden, maar de klachten gaan door. ”Ik heb het als vrouw alleen altijd netjes kunnen houden, nooit herrie gehad. Maar bij het minste of geringste wat ik doe, bham, heb ik gelijk last.”

Ook Zwarte Joop, inmiddels elders succesvol, ziet de buurt veranderen. ”De tijd is veranderd, er is veel gebeurd op de Zeedijk. Er is een onveilige sfeer gekomen. De saamhorigheid is veel minder. Vroeger hielden we een inzameling voor een krans als er iemand doodging.” En toch relativeert hij: ”Je kunt ’s avonds rustig over de Zeedijk wandelen zonder dat er iets gebeurt. Alleen na tweeën moet je oppassen.”

Wat resteert, is de bittere balans. De Casablanca, ooit een toonbeeld van sfeer en balans, verliest het van bureaucratie, burenruzies en een veranderende stad. ”Het gaat me aan het hart,” zegt Lagcher. ”Maar ik kan geen kant meer uit.”


In de tijd dat Zwarte Joop nog leefde en de burgemeester van de Amsterdamse wallen was, zat ik op zijn sportschool. Het was een schitterend gebouw, helemaal uitgevoerd in wit leer, oudroze pluche en chroom. Je kon er jazz balletles volgen, conditietraining, aerobic dancing en yoga. Er was een trainingszaal met alle mogelijke apparaten, een sauna, een Turks bad, een make up-kamer, een kapsalon, een zonnebank en een bar met gratis versnaperingen. Het was een damesparadijs.

Bron: Yvonne Krooneberg in NRC, 2 januari 1988


Uit het Parool, 9 februari 1973

Uit het Parool, 9 februari 1973


Maurits de Vries: Sterke mannen en bekende vrienden en vriendinnen

De Vries omringt zich graag met breedgeschouderde mannen. Onder hen bevinden zich worstelaars als Jan Dieke en Gerrie Vogelzang, Europees judokampioen en mixfighter Chris Dolman en Olympisch judokampioen Wim Ruska. Zij zorgen voor de veiligheid van Zwarte Joop en houden de rust op de Wallen.

Ook treden in zijn horecagelegenheden artiesten op zoals Lee Towers, Anita Meijer en André Hazes, maar ook internationale sterren als Demis Roussos, The Platters, Guys & Dolls, The Fortunes en The Trammps. Daarnaast onderhoudt De Vries vriendschappelijke banden met Freddy Heineken, Paul Anka, James Caan, Ryan O’Neal en Burt Reynolds.

De Vries waakt over de veiligheid van zijn klanten door de eerder genoemde breedgeschouderde heren een oogje in het zeil te laten houden. Junks en straathandel in drugs krijgen in dit gebied geen kans. Andere medewerkers zorgen ervoor dat de omgeving van Casa Rosso schoon blijft. De Vries beschikt zelfs over een eigen vuilophaaldienst, die soms meerdere keren per dag het afval verwijdert. Langs de gracht laat hij bloembakken plaatsen, er komt een fontein in het water en hij laat onderwaterverlichting aanbrengen.


De komst van de maffia op De Wallen

In 1974 gaat De Vries samenwerken met de Italiaanse maffiabaas Meyer Lansky. Samen zetten zij in 1976 en illegaal casino op, genaamd Cabala. Dit casino wordt gerund door de Cellini’s, gokspecialisten uit Lansky’s netwerk. De Cellini’s zijn groot geworden in de gokwereld van Las Vegas, Miami, Havana en de Bahama’s. Dino Cellini laat in een interview weten dat hij miljoenen investeert in het imperium van Zwarte Joop.

Met steun van de maffia financiert De Vries de Cabala, een gokpaleis dat volledig is voorzien van marmeren vloeren en muren, gouden deurknoppen en kranen, fluwelen gordijnen en luxe vloerkleden. De Chinese druglords weten de chique Cabala met haar exclusieve gokspelen, hoeren, live-seksshows en discomuziek al snel te vinden. Maar niet alleen zij; iedereen met een zwak voor gokken vindt zijn weg naar het casino.

Op het hoogtepunt van zijn roem bezit Joop de Vries een groot aantal seks-, relax- en gokpanden, toegankelijk voor alle rangen en standen. Begin jaren tachtig omvat zijn complex een sextheater, gokpaleizen, sauna-, fitness- en woonruimtes, gevestigd in een reeks aan elkaar gebouwde panden tussen Oudezijds Achterburgwal 84-104 en Oudezijds Voorburgwal 107-115.

Aan de Oudezijds Achterburgwal 76 opent hij op 25 juni 1980 de beroemde sportschool Oyama, waar zijn mannen kunnen trainen. Van de politie heeft De Vries maar weinig te duchten in die periode: ‘In een periode van corruptie bij overheidsdiensten was de politie je beste vriend zolang je maar betaalde.’ (Bron: Marcel Katee, Casa Rosso 1980-1984)


Koning van de Wallen vs de fiscus

Het is december 1983 in Casa Rosso. Zes mannen kijken zwijgend naar een futloze liveshow: een man, twee vrouwen, en een onderlinge ruzie die meer spanning oproept dan het optreden zelf. Voorin de zaal is het rumoerig, achterin wordt gegniffeld. En ergens in de coulissen waakt de man die dit rijk in handen heeft: Zwarte Joop.

Hij is inmiddels de zelfverklaarde koning van de Wallen. Een man met een oude bontjas van het Waterlooplein, een hoedje scheef op de donkere haardos, en een glimlach die tegelijkertijd ontwapenend en gevaarlijk kan zijn. Zijn rijk reikt van Casa Rosso tot de chic ingerichte Club 26, waar artiesten van naam optreden en waar je dag en nacht kunt gokken of trainen in het fitnesscentrum.

Maar achter de façade sluimert spanning. Zwarte Joop is ook opgepakt wegens belastingfraude op miljoenenschaal. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) doet een inval om zijn geheime bankrekeningen te onderzoeken. Vier dagen later staat hij alweer buiten, vrijgelaten op verzoek van zijn raadsman, mr. Max Moszkowicz. De fiscus legt wel beslag op clubs en inventaris. Wie denkt dat het imperium stilvalt, vergist zich. Casa Rosso draait gewoon door.

Geen heroïne voor de deur

Op straat rond de Oudezijds Achterburgwal kent men Joop als een man die zijn buurt schoonhoudt. Hij heeft eigen vuilniswagens, potige mannen die lastige figuren weghouden, en één harde regel: geen heroïne voor de deur. Zodra dealers of heroïnehoeren zich in zijn straat willen vestigen, worden ze met zachte of harde hand weggewerkt. “Zijn stukje buurt is de veiligste van Amsterdam,” zeggen buren.

Die veiligheid staat in schril contrast met de Zeedijk, een steenworp verderop. Daar woekert de heroïne. Cafébazen klagen dat de gemeente de junkies beschermt en ondernemers laat stikken. De prijzen van prostituees kelderen, de ramen vullen zich met verslaafde meisjes en buitenlandse vrouwen met schijnhuwelijken.

Toch heerst er in Joops straat een vreemde rust. Pornohandelaar George Sneeboer, overbuurman van Casa Rosso, noemt de buurt zelfs “ongelooflijk veilig.” Zijn dochter woont er al op haar zeventiende, zonder problemen. En ook stadsactivist Luud Schimmelpennink ziet in Zwarte Joop een stabiliserende kracht. “Hij houdt niet alleen zijn eigen zaak schoon, maar ook de buurt. Als hij ooit verdwijnt, wordt het hier een ander verhaal.”

Mede door de bemoeienis van de maffia valt de politie bij De Vries binnen en moet onder andere Club 26 sluiten. De Vries wordt veroordeeld wegens belastingontduiking en valsheid in geschrifte. Hij krijgt een naheffing van 42 miljoen gulden opgelegd. In 1983 verhuist De Vries tijdelijk naar Zwitserland, op aanraden van zijn advocaat Max Moszkowicz.


Het einde van een imperium

Op 16 december 1983 steekt een boze ex-werknemer, Joseph Lan, brand en richten Cabala, Club 26 en Casa Rosso zware schade aan. Dertien mensen komen om het leven, omdat ze het pand niet kunnen verlaten.

De Vries komt deze klap mentaal niet meer te boven en trekt zich terug in zijn villa aan de Vinkeveense Plassen. ‘De wond begint te helen, maar de littekens blijven. Ik zat in een dal, dat was buiten proporties, niet meer in verhouding. Het was de limit, dat onschuldigen opgeofferd moesten worden. Knok dat maar eens uit.’, aldus Zwarte Joop (Volkskrant, 2 mei 1988). Op 13 juli 1986 overlijdt hij in zijn villa aan een hersenbloeding, op slechts 51-jarige leeftijd.


De erfenis van Maurits de Vries Zwarte Joop

De erfenis gaat naar zijn twee dochters. In de jaren ’90 is een groot deel van het vastgoed verkocht aan Cor van Hout en Willem Holleeder.


 

1 antwoord
  1. Joop van Velzen
    Joop van Velzen zegt:

    Ik was 12 jaar toen Zwarte Joop op de manege van Cris Warmerdam met een ploeg waaronder Willem Ruska paarden kwam huren om van Hilversum naar de lage Vuursche heen en terug te rijden, geen van alleen konden geen meter paard rijden maar stapte erop en daar gingen wij, ik als 12 jarige jonge moest hun de weg wijzen aangezien ik dat vaker voor Cris deed had ik daar geen probleem mee normaal ging Cris mee maar die was als zo vaak in geen velden te bereiken. Bij de restaurant de Lagevuursche zopen de heren een aardig stuk in hun kraag en gingen wij in galop terug eenmaal weer dichtbij de stallen terug te zijn stond de auto van Zwarte Joop voor mijn paard in de weg omdat mijn paard te druk was geworden en klapte ik met het paard op de Olsmobiel open kap van Joop hij wou me wel vermoorden ik maakte dat ik weg en verstopte mij in de stalen waar Joop niet in durfde te komen Willem Ruska maakte alle zuipers rustig en vertrokken, heb zwarte Joop nog een keer gezien toen ik wat ouder was en moesten wij nog om het verhaal lachen.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *